‘Google maakt ons vergeetachtig’

Dat meldden de BBC, Quartz en Dutch Cowboys vorige week.

De aanleiding

Beangstigende koppen, vorige week. Digitale apparaten kunnen ons geheugen „aantasten”, schreef de BBC. Zakelijke site Quartz: „Even googelen is slecht voor je hersens.” En het Nederlandse techblog Dutch Cowboys: „Google maakt ons vergeetachtig”. Omdat we minder hoeven te onthouden, zouden we minder kunnen onthouden.

Brokkelt er echt een stukje van onze hersenen af, elke keer als we het internet gebruiken om iets op te zoeken? En waarom dan?

Waar is het op gebaseerd?

De bron is een onderzoek van Kaspersky Lab, een Russische maker van antivirussoftware, onder 6.000 Europeanen. Er deden 1.000 mensen mee uit de Benelux, evenals uit Groot-Brittannië, Frankrijk, Duitsland, Italië en Spanje. Zij kregen onder meer de vraag of ze het telefoonnummer van het huis waar ze op 15-jarige leeftijd woonden, nog uit het hoofd wisten. Ja, zei 60 procent.

Daarna werd gevraagd naar het huidige telefoonnummer van hun partner, werk, kinderen en de school van hun kinderen. Nummers die er nú toedoen, dus. Wat bleek: die van hun geliefde wist tweederde nog wel, maar de andere drie kon het merendeel niet opnoemen. Die stonden immers in de telefoon. Kaspersky trok daaruit de conclusie dat ‘digitale dementie’ echt bestaat.

En, klopt het?

Allereerst: met Google heeft het niets te maken. Het onderzoek ging juist over persoonlijke gegevens die op één digitaal apparaat zijn opgeslagen, in plaats van overal toegankelijke informatie. Daarnaast heeft Kaspersky belang bij de uitkomsten: de vervolgvragen waren hoe erg respondenten het zouden vinden als ze foto’s en data zouden verliezen (best erg) en hoe goed ze zijn beschermd tegen kwaadaardige software (niet zo goed). Voilà, daar heeft Kaspersky wel wat voor.

De hoofdvraag is: vergeten we meer doordat we altijd met internet verbonden apparaten bij ons hebben?

In 1986 introduceerde Daniel Wegner, later hoogleraar psychologie aan Harvard, de term ‘transactief geheugen’. Hij betoogde dat onthouden een sociale activiteit is: mensen vertrouwen informatie toe aan dingen en mensen om zich heen. Herinneringen worden ‘opgeslagen’ in een foto of bij je partner (die bijvoorbeeld verjaardagen beter onthoudt).

In 2013 deed Wegner vervolgonderzoek, gepubliceerd in het toonaangevende tijdschrift Scientific American, waarin hij stelde dat mensen hetzelfde doen met het internet: we zien dat als onze externe harde schijf.

Twee jaar eerder, in 2011, verscheen soortgelijk onderzoek in Science Express. Proefpersonen kregen een aantal feiten te horen, met de opdracht ze later te reproduceren. Tegen de helft werd gezegd dat ze de informatie konden verdelen over mappen op een computer, tegen de andere helft dat de informatie gewist werd. De eerste groep onthield aanzienlijk minder dan de tweede, maar zij wisten wél precies in welk mapje ze het antwoord hadden opgeslagen. NRC schreef destijds dat we dat waarschijnlijk doen om zo efficiënt mogelijk met energie om te gaan. Mensen zijn geneigd dingen te vergeten die ze niet hoeven te onthouden. Je kunt een beperkte hoeveelheid dingen kwijt in je hersens, dus wordt het extern opgeslagen als dat kan.

Conclusie

Het is aannemelijk dat we kale data als telefoonnummers minder vaak uit het blote hoofd weten, maar van ‘vergeetachtigheid’ is niet per se sprake. Twee meer betrouwbare onderzoeken van dit decennium toonden aan dat onze hersens informatie ‘extern’ opslaan als ze daarop kunnen vertrouwen. Dat is effectiever en maakt plaats voor het onthouden van iets anders. We beoordelen de stelling als grotendeels onwaar.