Gitaar in de bijrol

Waarom is er zo weinig klassieke muziek voor gitaar, vroeg een lezer mij laatst teleurgesteld over het bescheiden aandeel van zijn favoriete instrument. Goede vraag.

Hij heeft gelijk: in de klassieke muziek is de gitaar een niche-instrument. De gitaar heeft zijn ‘eigen’ gitaarcomponisten, die alleen door gitaarliefhebbers worden gevonden. In het grote repertoire kom je de gitaar zelden tegen. Ja, in de Zevende symfonie van Gustav Mahler, maar ook daarin heeft de gitaar een bijrol.

Hoe komt dat toch?

Om te beginnen: wat wij nu de klassieke gitaar noemen, is eigenlijk helemaal niet zo oud. Gitaren had je weliswaar al tijdens de Renaissance, de gestandaardiseerde zessnarige gitaar met zijn ronde vormen zoals wij die nu kennen, komt uit de late negentiende eeuw. En het is pas sinds de vorige eeuw dat vrijwel alle ‘klassieke’ gitaren worden bespannen met snaren van nylon in plaats van darmen van dieren.

Voor de meeste klassieke muziek is het instrument dus simpelweg te nieuw. Maar er zijn meer redenen. Hoewel de klassieke gitaar luider is dan zijn voorgangers, kwijnt hij nog altijd weg in de grote, voor symfonieorkesten gebouwde zalen. Tegen een groep violen legt zelfs de beste gitaar het af. Ook solorecitals worden daarom meestal subtiel versterkt. De gitaar werd dan ook gezien als een instrument voor in huiselijke kring, leuk voor de begeleiding of om arrangementen op te spelen. Het is zelfs zo dat sommige van de allerbekendste gitaarstukken eigenlijk bewerkingen zijn, zoals ‘Asturias’ van Isaac Albéniz, oorspronkelijk een pianostuk.

Veel gitaristen staan er dus alleen voor. De combinatie van gitaar met orkest leidt vanzelfsprekend tot balansproblemen en is daarom een zeldzaamheid. Toch zijn er een paar gitaarconcerten die meer dan de moeite waard zijn. Iconisch zijn die van een Spaanse componist die zelf nota bene geen gitaar kon spelen: Joaquín Rodrigo (1901-1999). Zijn ‘Concierto de Aranjuez’ uit 1939, deels geïnspireerd door de tuinen bij het paleis van Aranjuez, niet ver van Madrid, is een publiekslieveling en het langzame deel, met een indringende solo van de althobo als rouwklacht, zul je ongetwijfeld weleens hebben gehoord.

Net iets minder bekend, maar niet minder interessant is een ander gitaarconcert van Rodrigo: het aan de gitaargrootheid Andrés Segovia opgedragen ‘Fantasía para un gentilhombre’ (1954). Hij baseerde het op een aantal zeventiende-eeuwse Spaanse dansen en het is alsof Rodrigo op de fundamenten van een oud kasteel een sprookjespaleis heeft gebouwd. De Fantasía is muziek van een geïdealiseerd verleden: neobarok in klankkleuren van fluorgeel tot zuurstokroze. Misschien geen klinkende haute cuisine, wel een bruisende melodieënmelange waarvan je kunt blijven eten.