Een gedicht moet een belevenis zijn

Waaraan voldoet een goed gedicht? Het mag niet geschreven lijken.

Een kamertje in het Sint-Elisabethziekenhuis in Antwerpen, ingericht door ‘Creatief Schrijven’. De patiënt is ziek – zoals de dokter verslaafd aan poëzie. Goed zo, gedichten schrijven is geen hobby, maar passie, zou Vinkenoog zeggen. En noodzaak. Een gedicht is niet bedoeld als tussendoortje, de verzen moeten onder je huid kruipen.

„Dag en nacht ben ik met mijn gedichten bezig, dokter, zelfs op mijn werk. Maar mijn partner vindt het rijmelarij en mijn beste vriend vindt mijn schrijfsels te moeilijk. Geen enkel tijdschrift wil me publiceren. Ik kan het niet laten rusten.”

„Dat is een goed teken. Ik ben even ziek als jij. Ik heb ooit loopbaanonderbreking genomen om een dichtbundel af te maken! Vijftien jaar lang stuurde ik mijn gedichten op naar elk huis dat geurde naar poëzie. En als ik alle uitgeverijen had bestookt, begon ik terug met de A van Uitgeverij Ammehoela. Ik kreeg zelfs een keer een briefje: ‘Met zulk een titel willen wij het niet eens lezen.’ Haha.”

„Dat is toch vreselijk, dokter?”

„Verbittering en frustratie, dat zijn pas dooddoeners. Waar ben je nog je eigen baas? In een gedicht! Jij bepaalt of het rijmt, waarover het gaat, of het een sonnet wordt. Misschien laat je de woorden als granaatscherven over het papier vliegen. En als een gedicht met jou aan de haal gaat, weet je: uiteindelijk is het gedicht de baas.”

„Waaraan moet een goed gedicht dan voldoen?”

„Ik heb de wijsheid niet in pacht, ik ga niet even een voorschriftje schrijven. Mijn motto is van oudsher: ‘Ik breek mij af, bouw mij op.’ Elke keer leer ik weer bij. Ik kan niet zonder een lekker bakje poëzie, maar ik giet de woorden wel door een filter. Ik zoek de ultieme mix. Een gedicht mag niet geschreven lijken, het moet een belevenis zijn, de lezer in vervoering brengen. Taal is het vervoermiddel. Maar vervoering betekent veel meer dan ontroering.”

„O, je wilt ook ontregelen…”

„Ik schrijf niet om te ontregelen, maar omwille van het avontuur. Ik onderzoek de ongekende regionen in het brein om die dingen die ik niet onder woorden krijg, toch gezegd te krijgen. Je stapt in een gedicht, en als je er weer uitstapt, moet er iets met je gebeurd zijn.”

„Dus ik moet de taal bij het nekvel grijpen? Sommige dichters krijgen drie of vier sterren, hun verzen zijn zo vernuftig geschreven en toch laten hun gedichten me vaak koud.”

„Niet kniezen, laten we gek zijn en moedig. ‘Soyons courageux, soyons fous’, zei Cocteau. Kom, met welk gedicht zit je strop? Want dit is tenslotte een consultatie.”

Het gedicht wordt onder de loep genomen. Of de patiënt de muziekdoosgedichten van Paul van Ostaijen kent? ‘Zot Polleke’ verdween achter zijn gedichten. Uit de kracht van het woord en de beheersing van herhaling kwamen de gevoelens voort, niet andersom. Cadans, ritme, toonaard, betovering en bezwering. Het gedicht heeft een eigen mechaniekje, elke komma moet op zijn plaats staan. Soms gaat het als vanzelf, maar soms is het hard werken.

Dokter en patiënt beginnen samen het sentimentele en het overbodige te elimineren.

„Je noemt je gedicht een ‘Schommeltje’. Bedoel je een speeltuig dat wiegt en wiegt? Waarom hanteer je geen metrum?”

„Ik hou niet van die statige jambe. De klemtoon op de tweede lettergreep, dat is niet mijn stijl.”

„Laten we de versvoet frisser en vinniger maken, zoals een vos: speels én gevaarlijk. Herschrijf het eens met de trochee, klemtoon op de eerste lettergreep. Zie wat dat geeft.”

Zeven dagen later – kapersnest@scarlet.be ontvangt een herwerkt gedicht, strak en krachtiger: