Column

De vallende mens

Misschien let ik er meer op sinds mijn vrouw in de vakantie bij een val haar enkel brak, maar opeens zie ik overal vallende mensen om me heen. Een val blijkt in een klein hoekje te zitten, vooral als je de vijftig gepasseerd bent.

In een boek over het dichtersechtpaar Ted Hughes-Sylvia Plath, over wie ik gisteren schreef, las ik dat Hughes zijn middenvoetsbeentje brak toen hij met een slapende voet opstond en viel. Ik voelde een schokje van herkenning, want een paar jaar geleden overkwam me midden in mijn huiskamer iets dergelijks. Ik stond uit mijn stoel op en negeerde mijn slapende rechtervoet die uit protest vervaarlijk omsloeg, waarna ik in mijn volle lengte (1,92m) ter aarde stortte.

Het moet een spectaculaire dreun zijn geweest, want zelfs mijn kat onderbrak er even – heel even – haar middagslaapje voor. Maar het liep goed af, alleen een verstuiking. Weer een ervaring rijker: ik had nooit geweten dat je ook slapende voeten niet zomaar wakker moet maken. Zij voelen zich kennelijk verwaarloosd en nemen wraak.

In een zijstraatje achter mijn huis zie ik hoe een lange man, die tot dan rustig voor mij uit heeft gewandeld, plotseling zijn evenwicht verliest, op zijn knie valt en met gestrekte flank op de stoep belandt. Het ziet er nogal dramatisch uit, misschien is er wel iets onherroepelijks gebeurd. Ik schiet toe, hij richt zich half op en zegt verdwaasd: „Ik begrijp er niets van, ik struikelde nergens over en toch…” Ik kijk naar de grond en zie een nauwelijks zichtbare richel tussen straat en stoep lopen. De boosdoener?

Bij een boekhandel in het centrum van Amsterdam sta ik bij de kassa af te rekenen, als een medewerker tegen een collega achter de toonbank zegt: „Er is buiten iemand gevallen. Het was die man die net bij jou heeft afgerekend.”

We lopen haastig naar buiten. Op de smalle straat ligt een man van een jaar of zeventig languit op zijn rug. Bij zijn hoofd vormt zich een plasje bloed. Hij ziet asgrauw, zijn ogen zijn gesloten en hij beweegt zich niet. Er staat al een groepje mensen om hem heen. Een medewerker van de boekhandel loopt de zaak in en komt terug met een deken dat hij over het lichaam drapeert. Er wordt driftig gebeld met 112, twee motoragenten hebben zich al gemeld.

De man begint bij te komen. Hij opent zijn ogen en beweegt lichtjes zijn rechterbeen. Wat is hem overkomen? Hij kan na het verlaten van de zaak hooguit drie, vier stappen hebben gezet. Misschien is hij van de stoep op het plaveisel van de straat gestapt, uitgegleden en ruggelings tegen de grond geklapt.

Ik vertel het later mijn vrouw en zij, inmiddels ervaringsdeskundige, zegt: „Jij moet ook oppassen, want je loopt niet goed, je tilt je voeten niet voldoende op en bovendien wikkel je ze verkeerd af. Jij zet je voet steeds plat op de grond, maar je moet beginnen met je hak.”

Dat ik op mijn leeftijd nog moet leren lopen – daar kijk ik van op. Ik voel me opeens heel jong worden, al vraag ik me nog wel even af: wie heeft er ook weer z’n enkel gebroken, zij of ik? Maar goed, ze zal het wel weten want ze heeft de afgelopen maanden veel adviezen gehad van fysiotherapeuten.

Wanneer u dus een man op een merkwaardige manier door Amsterdam ziet lopen, als iemand die een eigen variant van de zwembadpas van Kees de jongen lijkt uit te proberen: dat ben ik.

Niet lachen.