Recht & Onrecht

De Togacolumn: Kan het een onsje minder?

Het leek even een trend te worden. Youtube werd een periode overstelpt met filmpjes van ‘kopschoppers’. Levensechte beelden, waarop jongens en meisjes, en zelfs een hele schoolklas, elkaar of een ander de hersens insloegen en schopten. Soms ook die van een al hulpeloos op de grond liggend slachtoffer, niet zelden ook nog maar een kind. Hulpeloosheid gaat regelmatig over in bewusteloosheid. Zo ook in de nacht van 3 op 4 januari 2013 in Eindhoven. Een groep jongeren loopt na een avondje stappen over de Vestdijk in Eindhoven. Eén van de jongens slaat daarbij met een kabelslot tegen fietsen aan. Hij schopt een fiets om. Een voorbijganger waagt het er iets van te zeggen. Er volgt een explosie van geweld. Tijdens dit geweldsincident lopen de toezichtcamera’s in dat gebied mee. Het hele gebeuren wordt geregistreerd. De beelden worden door het OM vrijgegeven aan de regionale zender Omroep Brabant van de regionale zender om de identiteit van de geweldplegers te achterhalen. Dat lukt. De geweldplegers worden gevonden, maar niet alleen door politie en justitie. Na de uitzending door Omroep Brabant worden de beelden verspreid via andere landelijke media en via social media. Met grote verontwaardiging in de samenleving en heftige reacties op social media tot gevolg, uitmondend in een hetze in de richting van de nog minderjarige verdachten. Namen, adressen en foto’s worden op internet geplaatst, bekende en onbekende personen laten van zich horen, één van de jongens wordt zelfs tot aan zijn ouderlijk huis door media belaagd.

De strafrechter legt uiteindelijk een lagere straf op doordat het in de (social)media zo uit de hand is gelopen. Volgens de rechter heeft de verdachte dusdanige nadelige gevolgen ondervonden dat dit niet zonder gevolgen kan blijven. Niet alleen de media maar ook het OM hadden anders moeten handelen, valt uit het oordeel van de feitenrechter op te maken. Het OM had kunnen en moeten kiezen voor een minder ingrijpend middel dan het laten uitzenden van de beelden door Omroep Brabant. Het had volgens de rechter dus een onsje of wat minder gekund. Het dilemma waar het OM en de politie zich steeds weer gesteld ziet kwam daarmee haarfijn op tafel te liggen. Want hoe kunnen het OM en de politie de media en de burgers informeren over wat er in de samenleving gebeurt en hen bij de opsporing betrekken, maar tegelijkertijd voorkomen dat situaties als grote verontwaardiging in de samenleving uitmonden in een (social)mediahetze die de verdachte ernstig nadeel toebrengen en uiteindelijk de strafvervolging kunnen schaden? Reden om deze zaak voor te leggen aan de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft gisteren een belangrijke uitspraak gedaan. Het OM mag in de openbare ruimte opgenomen camerabeelden van ernstige publieke geweldsincidenten in het openbaar tonen om zo dader(s) van dit geweld te kunnen opsporen. In het algemeen vormt dat geen ontoelaatbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Het openbaar maken van die beelden is immers voor de betrokkene een voorzienbaar gevolg. Met andere woorden: als u als burger iemand bewusteloos schopt op een straat waar toezichtcamera’s hangen, dan kunt u op uw tien vingers natellen dat de beelden die door die toezichtcamera’s zijn gemaakt, gebruikt gaan worden om u op te sporen. U kunt zich dan niet zomaar beroepen op de bescherming van uw privacy.

Heeft u dan geen enkele bescherming meer? Jawel, want zo eenvoudig ligt het nu ook weer niet. Voor de vraag of er in dergelijke gevallen sprake is van een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en of deze inbreuk gerechtvaardigd is, zijn ook nog andere factoren van belang. Niet alleen of het incident publiekelijk of in de privésfeer plaatsvindt, maar bijvoorbeeld ook of we te maken hebben met een minderjarige of met een bijzonder kwetsbaar persoon. Ook is van belang of iemand publieke bekendheid heeft (bijvoorbeeld een politicus), de mate van herkenbaarheid van een persoon en de mate van indringendheid van het beeldmateriaal en de informatie die daarmee wordt verstrekt. En de manier waarop en het doel waarmee het beeldmateriaal is verkregen. En natuurlijk last but not least: kan het een onsje (of wat) minder?

Dat geldt wat mij betreft ook, en in de overtreffende trap, voor de kopschoppers zelf.

 

Miranda de Meijer is advocaat generaal bij het parket in Den Haag en bijzonder hoogleraar OM bij de UvA. De Togacolumn wordt wekelijks geschreven door een rechter, een advocaat en een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie.

Blogger

Miranda de Meijer

Miranda de Meijer studeerde rechten in Rotterdam en werkte bij Spong advocaten in Amsterdam. Zij promoveerde op de rol van het OM in civiele zaken, werd officier van justitie, later advocaat-generaal bij het ressortsparket, gespecialiseerd in cassaties, in Den Haag. Zij is tevens hoogleraar op de bijzondere leerstoel Openbaar Ministerie van de faculteit rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam. Zij doet daar onder meer onderzoek naar ondermijnende criminaliteit. (Foto UvA Jeroen Oerlemans)