Pooier en prostituee moeten elkaar verstaan

Deze rubriek belicht elke dinsdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Vandaag: vrij verkeer van diensten.

Daniel Mesas Atero by CC via Flickr

Negen rapporten van toezichthouders lieten Amsterdam weinig keus: ondernemer J. Harmsen kon fluiten naar nieuwe vergunningen voor de exploitatie van twee raamprostitutiebedrijven. Uit de politierapporten bleek zonneklaar dat Harmsen eerdere vergunningen aan zijn laars had gelapt. In strijd met de voorwaarden had hij kamers verhuurd aan Hongaarse en Bulgaarse prostituees met wie hij niet in een voor hem begrijpelijke taal kon communiceren. Op grond daarvan acht de gemeente het „onvoldoende aannemelijk”, dat hij met een nieuwe vergunning de ‘taalvereiste’ wel zal naleven. (De taal hoeft overigens niet per se Nederlands te zijn, als er maar geen tolk aan te pas hoeft te komen.)

Harmsens bezwaar tegen de weigering werd afgewezen en ook zijn hoger beroep daartegen werd verworpen. Daarop wendde hij zich tot de Raad van State, die de kwestie vorig jaar voorlegde aan het Hof van Justitie van de EU. Want voordat de Raad zich over de ruzie uitspreekt, wil hij antwoord op de principiële vraag of Amsterdam, gelet op het in Europa geldende vrije verkeer van diensten, überhaupt zo’n taaleis mag stellen.

Ja, oordeelt het Hof. De discriminerende voorwaarde is geoorloofd wegens „dwingende redenen van algemeen belang”. Voor effectieve handhaving van de openbare orde, in het bijzonder de bestrijding van mensenhandel, gedwongen prostitutie en prostitutie van minderjarigen, is cruciaal dat exploitant en huurder zich met elkaar kunnen verstaan zonder tussenkomst van derden. Het is uiteindelijk aan de nationale rechter om te beoordelen of de maatregel geschikt is om dat ‘algemeen belang’ te waarborgen en niet verder gaat dan strikt noodzakelijk is. Maar na deze aanwijzing van het Europees Hof lijkt wel zeker dat Harmsen geen nieuwe vergunning krijgt.