Column

Jij zegt het, maar….

Connie Palmen heeft een meeslepend boek geschreven over de Engelse dichter Ted Hughes en zijn Amerikaanse vrouw Sylvia Plath. Toch heb ik Jij zegt het met een onvoldaan gevoel uitgelezen. Natuurlijk bestaat er geen objectieve waarheid over dat tragische huwelijk, maar Palmen koos een vorm die een helder inzicht onmogelijk maakt: een fictieve monoloog door Hughes. Hij mag zich verdedigen en Palmen is zijn advocaat die hem de woorden ingeeft.

Dat doet ze zo knap dat je je als lezer soms moet voorhouden dat hier niet de echte Hughes aan het woord is, maar een door Palmen bedachte. Zij maakt weliswaar royaal gebruik van zijn teksten, maar de kern en de samenhang van de monoloog zijn de hare; die maken het boek tot een roman.

Maar het is wel een roman die in de realiteit wortelt, een realiteit waarover de afgelopen jaren een felle controverse is losgebroken. Hughes werd vooral van feministische zijde ervan beschuldigd de zelfmoord van zijn vrouw te hebben veroorzaakt. Toen zijn nieuwe relatie, Assia Wevill, op identieke wijze zelfmoord pleegde, stond het voor zijn tegenstanders vast: hij was een gewetenloze vrouwenhater.

Hughes heeft zich nauwelijks tegen deze beschuldigingen verweerd. Palmen heeft nu als het ware zijn verdediging op zich genomen; ook buiten de kaders van de roman, in interviews, neemt ze het steeds voor Hughes op. „Dit kan er dus met een leven gebeuren, dacht ik”, zei ze in Opzij. „Je gehele leven kan worden beïnvloed doordat je zó te kijk wordt gezet en zó negatief wordt neergezet in een biografie.”

De feministische beschuldigingen gaan ook mij veel te ver. Dochter Frieda Hughes zei zaterdag in een BBC-documentaire over haar vader terecht: „Het is zo makkelijk om te zeggen: wij weten wat er gebeurd is.” De vrouwen van Hughes waren in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor hun trieste daad. Toch is er reden genoeg om kritische kanttekeningen te plaatsen bij het gedrag van Hughes. Anders ontstaat er, zoals in Jij zegt het, een geflatteerd beeld van hem.

Hij was degene die zijn relaties opblies met promiscue gedrag en zijn vrouwen in een gruwelijk isolement achterliet; in het geval van Assia Wevill mogelijk nog schrijnender dan in dat van Sylvia Plath. Dat is geen uitzonderlijk menselijk gedrag, maar daarom hoeft het nog niet goedgepraat te worden, zoals Hughes in ‘zijn’ monoloog begrijpelijkerwijs doet: „Zij [Sylvia] wilde naar de beminde vader, ik wilde naar de werkelijkheid, naar de natuur, naar mijn natuur.”

Hughes zegt de dingen wel vaker op een pompeuze, verhullende manier, niet alleen bij Palmen, maar ook in zijn befaamde dichtbundel Birthday Letters. Het is een kant aan hem die mij wantrouwig maakt, net als zijn ronduit potsierlijke hang naar het occultisme; hij was bezeten van astrologie en hield seances met geesten.

Hughes maakte na de dood van Sylvia de indruk dat hij wat te verbergen had over zijn eigen rol. Hij vernietigde haar laatste dagboek, hield publicatie van een aantal brieven tegen en ontmoedigde en intimideerde, samen met zijn zus Olwyn, biografen. Zelfs biografe Anne Stevenson, in wie hij wel vertrouwen had, zei later: „De Hughes berokkenen zichzelf schade door zaken te verbergen. Ze geven de speculatie een kans.”

Misschien moet een andere romanschrijver zich eens aan een monoloog van Sylvia Plath wijden.