Echt, een geniale opera

Verdi’s Il trovatore was 35 jaar lang niet te zien bij de Nationale Opera. Nu is

het een uitbundig succes.

Mezzosopraan Violeta Urmana (midden) en het koor van De Nationale Opera in Verdi’s Il trovatore in de regie van Alex Ollé. Foto Ruth Walz

Een tophit van het repertoire is het, vol meeslepende aria’s en melodieën. En toch was Verdi’s Il trovatore bij De Nationale Opera (DNO) in 35 jaar niet te zien. Artistiek directeur Pierre Audi vatte de oorzaak bondig samen: al heb je voor regie en muzikale leiding een dreamteam klaarstaan, deze opera staat of valt met een ijzersterk solistenkwartet.

De nieuwe Amsterdamse Trovatore was afgelopen weekend een uitbundig succes, met dank aan – inderdaad – geweldige zangers. Vooral de Litouwse Violeta Urmana was met haar wonderlijke mezzo/sopraan-mengstem (vet bruine laagte én kernachtige hoogte) ideaal als zigeunerin Azucena: getroebleerd en rauw in al haar aria’s.

Waar die over gaan, daar moet je bij Il trovatore niet te lang bij stilstaan. Azucena wil haar op de brandstapel vermoorde moeder („haar ogen sprongen uit de kassen!”) wreken, waarbij ze per abuis haar eigen baby in de vlammen werpt. Het nog levende graafje dat eigenlijk het doelwit was, voedt ze dan maar op als eigen zoon – met de nodige (liefdes)intriges als gevolg.

Navoelbaar dus dat DNO (in co-productie met Parijs) Alex Ollé van het baanbrekende Catalaanse regisseurscollectief La Fura dels Baus vroeg voor juist deze titel. Ollé bracht Gounods Faust vorig seizoen in een schokkende spektakelproductie vol baby’s op sterk water en verkrachte Barbies, dus met die van clichés kromgetrokken Trovatore zou hij ook wel raad weten.

Maar deze Trovatore is het tegendeel van schokkend: een vrij brave productie, op basis van een monumentaal eenheidsdecor. Daarin schuiven koperen kokers uit schachten – soms als pilaren, dan plat als zerken of hol als verse graven.

Een curieuze keus

Aan de uniformen van zigeuner/ graaf Manrico (de troubadour) en Graaf Luna kun je zien: dit speelt in de Eerste Wereldoorlog. Een curieuze keus, want het decor verwijst óók naar het Holocaustmonument in Berlijn en antiziganisme was in de Tweede Wereldoorlog presenter dan in de Eerste. Maar decor en kostuums worden zo onnadrukkelijk voorgeschoteld dat je ze omarmt als ontvetter van het libretto en er verder weinig acht op slaat. Veelzeggend was het moment waarop soldaten een lijk in een grafkuil slingerden, waarop de zaal in gelach uitbarstte. Het zal wel. De muziek biedt genoeg om op te letten.

Dirigent Maurizio Benini is een Italiaan van het oude stempel: ritmisch lekker pokerig, zodat je tijdens de door tenor Francesco Meli (Manrico) geweldige, met veel italianità gezongen aria Di quella pira onmogelijk stil blijft zitten. Dat de zangers soms trekken aan Benini’s strakke leidsels, is een gegeven. Daniele Gatti, de toekomstige Koninklijk Concertgebouworkest-chef, liet vorige zomer in Salzburg in Il trovatore horen hoe precisie ook wél met vloeibaarheid hand in hand kan gaan. Maar het dramatisch vuur dat het Nederlands Philharmonisch uit de bak laat opstijgen, compenseert dat ruim.

Naast Urmana, Meli en de vlakkere Simone Piazzola (Luna) is sopraan Carmen Giannattasio een kloeke Leonora, iets teleurstellend in D’amor sull'ali rosee. Het operakoor trekt de aandacht in voorbeeldig strak gezongen scènes, on en off stage. Genoeg momenten dus waarop je je weer kan realiseren: Il trovatore is, echt, een geniale opera.