De man door wie Wilders zich geïntimideerd voelde

Het is misschien wel het belangrijkste rapport ooit van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, het onderzoek naar de MH17-crash. Tjibbe Joustra is de man die het vandaag verdedigt. „Ik ben de generaal.”

Tjibbe Joustra met journalisten nadat ze MH17-wrakstukken hebben bekeken.

Luid pratend bewegen politici, ambtenaren, bestuurders en lobbyisten zich door de massa’s die borrels ter gelegenheid van Prinsjesdag bezoeken. Midden in de menigte houdt een onberispelijk geklede man audiëntie. Direct om hem heen heerst kalmte. Er wordt niet joviaal op schouders geslagen. Zijn gesprekspartners houden afstand. Ze buigen hun hoofden naar de man in het midden, bang als ze zijn om iets te missen van zijn weinige woorden die bijna emotieloos worden uitgesproken.

Tjibbe Joustra (1951) bestreed als secretaris-generaal op het ministerie van Landbouw vele veecrises die tientallen miljoenen koeien, varkens, kippen en geiten het leven kostten. Hij vestigde er de reputatie van autoritair leider, met wie niet viel te spotten. Daarna haalde hij in 2004 de voorpagina’s als nationale Kop van Jut tijdens de zogeheten gouden-kranen-affaire bij uitkeringsinstantie UWV. Hij werd weggestuurd zonder dat zijn carrière eronder leed. Joustra ging meteen verder als antiterreurcoördinator (NCTb). Hij werd de enige man in Nederland over wie Geert Wilders ooit zei dat hij zich door hem „geïntimideerd” voelde.

Tegenwoordig is Joustra voorzitter van de Onderzoeksraad voor Veiligheid. Die levert vandaag misschien wel het belangrijkste rapport in haar bestaan af: het onderzoek naar de oorzaak van de crash van de MH17.

Wie wil weten hoe het zover kwam met Joustra, stuit in zijn vroege periode op typeringen als „razend intelligent”, „‘doorbijter”, „onafhankelijk” en „intimiderend”. Later komen daar termen bij als „baken van rust” en „‘sfinx-achtig”. Zelfs de term „beminnelijk” valt.

De Kamer was stomverbaasd

Het is 1989 als onderzoeker Jouke de Vries, pas gepromoveerd in de bestuurskunde, voor het eerst Tjibbe Joustra van nabij ziet opereren. Minister Gerrit Braks (CDA) van Landbouw en Visserij is naar het parlement geroepen naar aanleiding van een rapport van De Vries. Die had beschreven hoe de inspectiedienst van het ministerie oogluikend toestond dat vissers op Urk en elders de visquota omzeilden.

Als De Vries op de publieke tribune van de Tweede Kamer plaatsneemt, ontwaart hij een ontspannen Tjibbe Joustra in de ambtenarenloge. „Ik snapte daar niks van”, zegt De Vries. „We hebben hier toch een probleem, dacht ik.” Even later viel het kwartje. Joustra had een deal kunnen maken met zijn collega’s van Algemene Zaken en Economische Zaken. Was er niet met veel meer inspectiediensten van andere ministeries, zoals EZ, iets mis? Het zou goed zijn als daar in den brede naar gekeken zou worden, zei Braks op voorspraak van Joustra tegen de Kamer. Die bleef stomverbaasd met lege handen achter.

„Puur Machiavelli”, oordeelt De Vries 26 jaar later. „Joustra werd niet zenuwachtig van een crisis, maar maakte er een kans van door die aan een ander probleem te koppelen.” Een jaar later, in 1990, moest minister Braks alsnog aftreden. Coalitiepartner PvdA vond dat hij te weinig tegen de visfraude had gedaan.

De gebeurtenis maakte indruk op Tjibbe Joustra. Hij zag het als de zoveelste manifestatie van de aanpassingsmoeilijkheden van zijn ministerie. Het had boeren en vissers altijd aangemoedigd meer te produceren, nu moest datzelfde ministerie in naam van Brussel en milieu overproductie juist tegengaan – en streng controleren. Joustra was vastbesloten bij die pijnlijke overgang als secretaris-generaal zelf het voortouw te nemen.

Hij maakte daarbij gebruik van de nauwe banden van zijn ministerie met de universiteit in Wageningen. „Joustra wilde beleid altijd wetenschappelijk onderbouwen”, zegt De Vries. „Hij dacht dat het beleid er beter van werd.”

Dat had Joustra onder meer afgekeken van een bestuurder voor wie hij bewondering had. Albert Mulder, secretaris-generaal van het ministerie van Justitie in de jaren zeventig, was ook oprichter van het WODC, het wetenschappelijk onderzoek- en documentatiecentrum. De studies daarvan gaven het justitiebeleid een betere onderbouwing en verleenden het een objectievere uitstraling. Bovendien schonken ze ambtenaren een voorsprong op hun tegenstanders in de discussie, zei Mulder.

Joustra knoopte dat in zijn oren. Hij zorgde dat hij de beleidsopties die hij zijn ministers voorstelde, altijd goed had onderbouwd. „Joustra stelde altijd de juiste diagnose”, zei een van die ministers, Jozias van Aartsen.

Steeds meer op de voorgrond

Tijdens de grote veecrises in de jaren negentig drong Joustra zichzelf steeds meer op de voorgrond. Bij het uitbreken van de varkenspest riep Van Aartsen zijn topambtenaren bijeen, zo vertelde hij in 2001 aan deze krant. De minister vroeg: „Wie is er eigenlijk de generaal in deze crisis?” Joustra stond op en zei: „Ik ben de generaal.”

De vooruitgeschoven post maakte Joustra tot gemakkelijk mikpunt van kritiek. Een onderzoekscommisie onder leiding van Neelie Kroes in 1992 die de aanpak van een van de veecrises onderzocht, uitte scherpe kritiek op de „autoritaire” ambtelijke leiding. Die zou een klimaat scheppen „waarin intimidatie gedijt”. Joustra concentreerde te veel macht bij zichzelf. Mensen waren bang voor hem. Geruchten deden de ronde over afluisterpraktijken.

Na de publicatie van het rapport, kroop de hoofdpersoon uit het rapport niet in zijn schulp. Integendeel: Joustra liet weten dat hij zelf de uitvoering van de aanbevelingen van het rapport ter hand zou nemen. Hij bleef nog zo’n tien jaar op zijn post bij Landbouw.

Joustra stond op en zei: „Ik ben de generaal."

De man van de gouden kraan

Het zou niet de laatste keer zijn dat hij tijdens zijn carrière geen wezenlijke schade ondervond van een kritisch rapport. Twaalf jaar later was het opnieuw raak. In het voorjaar van 2004 raakte Joustra in problemen als bestuursvoorzitter van uitkeringsinstantie UWV. Een onderzoeksrapport wees uit dat er was gerommeld met de kosten van dure verbouwingen in het hoofdkantoor in Amsterdam. Van het bestaan van gouden kranen en andere luxe-voorzieningen, waarover media hadden bericht, was echter niets gebleken. Niettemin eiste minister Aart Jan de Geus Joustra’s vertrek.

De UWV-topman stribbelde tegen. „Een detail”, noemde hij de verbouwingskwestie, zeker vergeleken met de verbetering van de uitvoering van de sociale zekerheid onder zijn leiding. Met populistische sentimenten in media en politiek over de „man van de gouden kraan” wist hij niet zo goed raad.

Joustra vertrok, maar niet zonder het rapport aan te vechten. Met succes. De betreffende accountant van Deloitte die het rapport had geschreven, werd even later door de Tuchtraad van Accountants veroordeeld.

Joustra was nog niet eens weg bij het UWV toen minister Donner (Justitie, CDA) hem verzocht om de nieuwe antiterreurdienst NCTb te gaan opzetten. Op het oog was dat precies de verkeerde baan voor Joustra. De functie werd in het leven geroepen om alle diensten op het gebied van terreurbestrijding beter met elkaar te laten samenwerken. Kon een hoekig opererende man als Joustra zo’n karwei waarbij veel overleg kwam kijken, wel uitvoeren?

Mensen die Joustra van nabij volgden, viel op dat hij de scherpste kantjes van zijn conflicterende gedrag had afgevijld. Hoogleraar bestuurskunde De Vries: „De zwakte van mensen als Joustra is dat ze razend slim en analytisch sterk zijn en weinig geduld met hun omgeving hebben. Dat gaat anderen irriteren. Joustra had dat door en ging meer investeren in uitleg.”

Een echte liberaal

In twee opzichten paste de NCTb-baan juist uitstekend bij Joustra. Hij stond op meer afstand van de minister dan in de strakke hiërarchie bij Landbouw. Dat gaf hem meer bewegingsvrijheid. Verder kreeg de NCTb een kenniseenheid die analyses ging maken van terreurdreigingen (de inmiddels bekende dreigingsniveaus). Die benadering paste bij Joustra’s wetenschappelijke instincten.

Joustra wist menig gevecht te winnen. Hij kaapte medewerkers bij de AIVD weg. Hij drukte door dat jihadisten in aparte gevangenisafdelingen werden opgesloten. Ook Geert Wilders vond Joustra op zijn weg. De antiterreurcoördinator en zijn medewerkers spraken in 2007 met de PVV-leider over de lancering van diens film Fitna en de veiligheidsrisico’s.

Achteraf beklaagde Wilders zich in een Kamerdebat dat hij zich in het „urenlange” gesprek „geïntimideerd” had gevoeld door Joustra en zijn medewerkers. De antiterreurcoördinator had zich juist keurig gedragen, schreef justitieminister Hirsch Ballin (CDA) even later aan de Tweede Kamer. Toen een medewerker Wilders erop had gewezen dat hij ook andere woorden kon kiezen voor zijn anti-islamboodschap, had Joustra zijn medewerker juist gecorrigeerd. Als politicus, zei Joustra, mocht Wilders de woorden kiezen die hij wilde.

Joustra geldt als een „echte liberaal”, zegt Ina Adema, burgemeester in Veghel. „Daarmee bedoel ik: niet buitengewoon conservatief.” Adema zat met Joustra in de verkiezingsprogrammacommissie van de VVD in 2012. Ongeveer acht jaar eerder was Joustra lid geworden van de liberale partij. „Om het individu de ruimte tot ontwikkeling te geven”, zei hij zelf. Henk Lubberdink, een studievriend, zegt: „Ik was verbaasd dat hij politiek actief werd, omdat ik hem altijd als de neutrale, partijloze topambtenaar had gezien. Ik was niet verbaasd dat hij voor een liberale partij koos. Joustra is een man met ambitie, die het verschil wil maken.”

Hij is aardiger dan je zou denken

Hoogleraar Europese studies aan de Universiteit van Tilburg Paul Scheffer maakte Joustra vier jaar mee als voorzitter van de Raad van Toezicht van de ter ziele gegane multiculturele denktank Forum. „Een beperkte ervaring”, beklemtoont Scheffer, „maar ik herinner me nog dat ik verbaasd was. Joustra was beminnelijker, socialer ook dan ik had gedacht.” Scheffer noemt Joustra „een type bestuurder zoals Job Cohen of Rinnooy Kan. Eerder risicomijdend dan hard ingrijpend. Het verklaart waarom zulke bestuurders langere tijd meegaan.”

Op min of meer dezelfde manier vestigde Joustra zijn gezag als voorzitter van de Onderzoeksraad. Hij trok krachtige onderzoekers aan als crisisexpert Erwin Muller en gaf die de nodige ruimte. Zorgexpert Pauline Meurs, in 2013 één jaar lid van de Onderzoeksraad, werd vooral getroffen door „de volstrekte rust”, waarmee Joustra zijn voorzitterschap „op hoofdlijnen” uitoefent. „Hij weet precies wanneer hij op welke plek moet interveniëren”, zegt ze. Kritische observaties heeft ze niet, „of het moet zijn charmante ijdelheid zijn”.

Volgens Jouke de Vries versterkte Joustra het gezag van de Raad door overzichtelijke procedures te scheppen. „Het simpele feit”, zegt De Vries, „dat iedereen al weken van te voren weet dat het MH17-rapport op dinsdag 13 oktober wordt gepresenteerd, geeft door de voorspelbaarheid een zekere rust. Alleen de inhoud en conclusies blijven een verrassing.”