Strafhof wil doorstart onderzoek naar Zuid-Ossetië

Russische troepen hebben mogelijk geholpen bij de verdrijving van de etnisch Georgische bevolking.

Mannen keren terug naar Tskhinvali, de hoofdstad van Zuid-Ossetië, op 28 augustus 2008. Maxim Shipenkov / EPA

Aanklager Fatou Bensouda van het Internationaal Strafhof wil door met het onderzoek naar oorlogsmisdaden gepleegd tijdens de oorlog in Zuid-Ossetië in 2008. Zij heeft daartoe een verzoek ingediend bij de rechters in Den Haag.

Het onderzoek draait om de periode tussen 1 juli en 10 oktober 2008. Het gaat om een vervolg op een voorbereidend onderzoek naar oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid dat dezelfde zomer werd aangevangen.

Campagne van etnische zuivering

Bensouda vindt dat er een “redelijke grond” is om te geloven dat er oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid zijn begaan. Het gaat daarbij onder meer over misdaden die zouden zijn gepleegd om etnische Georgiërs uit Zuid-Ossetië te verdrijven, maar ook om aanvallen van Georgische en Zuid-Ossetische troepen tegen vredestroepen.

Uit informatie die de aanklager heeft verzameld is op te maken dat mogelijk tussen de 51 en 113 Georgische burgers zijn gedood als onderdeel van een campagne van verdrijving. De ontheemding zou het initiatief zijn van de de facto autoriteiten van Zuid-Ossetië. Mogelijk zouden ook leden van de Russische krijgsmacht hebben meegeholpen. Tijdens de campagne zijn 13.400 tot 18.500 etnische Georgiërs verdreven. Het gevolg was dat de Georgische bevolking in Zuid-Ossetië met 75 procent is afgenomen.

Nu niet alleen meer Afrika

Toenmalig premier Poetin beschuldigde Georgië in de zomer van 2008 van genocide in de regio. Georgië diende juist een klacht in wegens etnische zuivering door Rusland in Georgië tussen 1993 en 2008.

Het Internationaal Strafhof kreeg de afgelopen jaren felle kritiek vanuit Afrika, omdat het alleen maar Afrikaanse verdachten in de beklaagdenbank zou zetten. Daar komt nu mogelijk verandering in.