Zoveel clubs voor een betere bij

Karin Steijven kweekte in Duitsland bijen om er geheugenproeven mee te doen. Nu is ze lector bijengezondheid: een dertiger in het imkervak, dat gedomineerd werd door vijftigplussers.

Karin Steijven (31) is bijenonderzoeker. De komende zes jaar heeft ze de taak om alle bijenmensen in Nederland bij elkaar te brengen. Foto Robin Utrecht

Voorzichtig tilt Karin Steijven (31) het deksel van de bijenkast. Ze pompt er wat rook in om de bijen rustig te houden, bestudeert hoe ze zich in de raten terugtrekken, en haalt er een raat uit. Met een heel, heel langzame beweging. „Ik vind dit echt fijn werk”, zegt ze. „Ik word er rustig van omdat ik wel rustig moet werken. Van onverwachte bewegingen schrikken de bijen en kunnen ze gaan steken.”

Aan de Universiteit van Würzburg, waar ze in november promoveert, had Steijven twaalf kasten. Terug in Nederland moet ze opnieuw beginnen. De twee kasten die ze laat zien, zijn niet van haar. „Het was puur toeval”, vertelt ze in de woongroep in Arnhem waar ze is ingetrokken. „Toen ik hier op gesprek ging zeiden de huisgenoten: ‘Je past hier goed, we hebben al twee bijenkasten.’”

Tot voor kort was bijen houden in Nederland vooral een zaak van mannelijke vijftigplussers. Maar dat is aan het veranderen. Er zijn tientallen cursussen die ook door jongeren worden gevolgd. En nu krijgt deze sector ook nog een jonge, vrouwelijke lector – een soort hoogleraar, maar dan aan een hogeschool.

Sinds vorige maand vervult Karin Steijven deze functie op Hogeschool VHL Larenstein in Leeuwarden. De zesjarige aanstelling (parttime) is een initiatief van bijenhouders en wordt betaald door het ministerie van Economische Zaken. Rond 2012 maakte de sector zich ernstig zorgen over de wintersterfte. In de vijf jaar ervoor was die gemiddeld ruim 20 procent, waarschijnlijk te wijten aan een combinatie van de varroamijt, natte seizoenen, bestrijdingsmiddelen en een verarmd aanbod aan nectar en stuifmeel op het platteland.

De nieuwe lector bijengezondheid moet, volgens het persbericht, „onderzoekers, docenten, imkers, natuurbeschermers en andere belanghebbenden bij elkaar brengen”. Dat is geen overbodige luxe. Nederland telt hoogstens 25 fulltime bijenhouders, de meesten in dienst van de zaadindustrie die bijen houdt voor bestuiving. Maar er zijn wel ruim 7.000 hobby-bijenhouders. Deze imkers hebben allerlei verenigingen, werkgroepen en stichtingen opgezet.

Die doen eigen onderzoek, terwijl er aan Nederlandse universiteiten maar een handjevol mensen aan honingbijen werken. De Nederlandse Bijenhouders Vereniging meet wintersterfte van bijen, en het Nederlands Centrum Bijenonderzoek in Friesland doet dat óók. De imkers gaan bovendien verschillende richtingen op. Zo zijn er meerdere stichtingen die selecteren op bijenvolken die bestand zijn tegen de varroamijt. Sommige willen de inheemse en sterkere zwarte bij inzetten. Andere testen alleen kruisingen met sterkere Amerikaanse bijen.

Hoe gaat u al die partijen bij elkaar brengen?

„Bijvoorbeeld: in Duitsland is er elk jaar een congres met als doel kruisbestuiving tussen alle groepen die met bijen bezig zijn, ook met wilde bijen. Zoiets kunnen we ook voor Nederland organiseren.”

Steijven werkte in Würzburg vier jaar bij het universitair instituut voor dierecologie en tropenbiologie, dat zo’n 45 bijenonderzoekers telt. Zij onderzoeken vooral wilde soorten. In Duitsland zijn er hiervan zeker 550; in Nederland zo’n 350. Met de honingbij gaat het op het moment weer beter, de wintersterfte is nu op het oude peil van 10 à 14 procent. Maar volgens Steijven gaat het slecht met de wilde bijen. „Honingbijen leven in volkeren van soms wel 80.000 individuen”, vertelt ze. „Zij hebben dus wel wat buffer. Solitair levende bijen en hommelvolken met maar enkele individuen zijn veel kwetsbaarder.”

Maar Steijven onderzocht honingbijen. Voor haar promotieonderzoek voedde ze zelf de larven. Larven hebben drie weken nodig om uit te groeien tot een bij. In de zes dagen voor het popstadium worden ze gevoerd met een suikerhoudend mengsel met stuifmeel. In een volk krijgen ze dat van een werkbij, maar in Würzburg had Steijven die rol. Duizenden larven in plastic cupjes heeft ze met een pipet stuifmeel gevoerd, soms wel 1.500 larven per dag

„Het was fantastisch werk”, zegt ze. „Als de bijen uit de pop kwamen, was ik heel blij. Ik moest helemaal uitvinden hoe ik die larven schoon en steriel kon laten opgroeien.”

Wat voor stuifmeel voerde je ze?

„Ze kregen stuifmeel van genetisch gemodificeerde mais, van twee gewone maisrassen en als controle stuifmeel van een voor bijen giftige plant. Met de bijen deed ik Pavlov-testen. Ik zette ze in een buisje vast zodat ze er net met het kopje uit staken. Vervolgens gaf ik ze willekeurig twee geuren, met of zonder suikerwater erbij. Sommigen hadden het al na twee keer door. Bij de goede geur staken ze al hun tongetje uit nog voor ik met suikerwater kwam. Bij andere moest ik de goede geur wel tien keer geven voor ze dat verband legden.”

Waarom is het geheugen voor bijen zo belangrijk?

„Als ze bloemen bezoeken, moeten ze bij terugkomst andere kunnen vertellen waar veel voedsel te vinden is. Daarvoor moeten ze de coördinaten van zo’n plek onthouden.” Steijven tekent de waggeldans die ze hiervoor gebruiken. „De lengte van deze zigzagbeweging en de grootte van deze draai geven de plaats aan.”

Heb je zo’n waggeldans zelf gezien?

„In Würzburg staat een observatiekast met een webmonitor waarmee onderzoekers, bijenhouders of scholieren die dansen bestuderen zonder de bijen te verstoren. Je moet letten op de werkbijen die terugkomen met geel stuifmeel aan hun pootjes.

„Na zo’n dans zie je dan andere bijen met haar meegaan. Of niet. Ze kunnen ook voor een andere dansende bij kiezen. Dat vind ik zo fascinerend aan bijen. Het zijn heel democratische gemeenschappen.”