Zo’n kleuter heeft een eenhoorn nodig

‘De eenhoorn bestond niet en dat vond hij niet leuk’. Zo luidt de ijzersterke openingszin van Tijs en de eenhoorn, het nieuwste prentenboek van Imme Dros en Harrie Geelen. Heerlijk zo’n zin. En geweldig hoe de licht naïeve, paarsblauwe openingsprent van de gespiegelde eenhoorn zijn bestaan dubbel en dwars bevestigt.

Natuurlijk, de eenhoorn heeft het recht op bestaan in onze fantasie, zoals ook draken, kabouters en elfen. Zeker geldt dat voor Tijs: hij is pas verhuisd en vindt dat ‘het nieuwe huis niet om alle dingen uit het oude huis past’. Overvallen door heimwee loopt de kleuter weg, op zoek naar troost. Die vindt hij in een onbekende drukke stad, in de vorm van de mythische eenhoorn.

De sprankelende kleine zinnen van Dros en de zachte prenten van Geelen maken de existentiële twijfel van Tijs en de eenhoorn invoelbaar. Als de eenhoorn ontdekt dat hij geen spiegelbeeld heeft, lees je: ‘Dat heb je als je niet bestaat, dan zie je er niet uit.’ Waarna Geelen via Tijs’ tekenkunst hem definitief het leven schenkt. Zo helpt Tijs’ eigen kleurrijke fantasie hem uiteindelijk zijn lot te aanvaarden.

Tijs en de eenhoorn is pure poëzie, een prachtig prentenboek dat leest als een hartstochtelijk pleidooi voor de troostende kracht van de verbeelding. En zo’n pleidooi is nodig: wie gelooft nu nog in literatuur als levensbehoefte? Zelfs de Kinderboekenweek, die in het teken staat van natuur, wetenschap en techniek, blijkt jammerlijk gezwicht voor ‘de dictatuur van de science’. ‘Lezen = weten ² ’, meldt de CPNB.

Maar wie we zijn, wat het leven is en wat de zin ervan, zijn vragen waarop geen eenduidige antwoorden passen. Geen kind kan ‘the big bang’ doorgronden. Geen kind kan de dood bevatten. Willen we ze leren de monsters van buiten te verslaan, dan moeten we ze leren de monsters van binnen te beteugelen, toont dit boek. Dat kan met verhalen. Niet met formules.