Wat levert 2 miljard aan EZ–subsidies nou op?

Ruim 2 miljard euro steekt minister Henk Kamp in innovatieve bedrijven. Heeft dat eigenlijk wel zin?

‘Digitalisering regionale radio’: 1,4 miljoen. De MKB Innovatieregeling Topsectoren (MIT): 34 miljoen. Het ‘programma Hoge Flux Reactor’: 8,1 miljoen. De MEI, ‘Marktintroductie energie-innovaties in de glastuinbouw’: 3,7 miljoen euro.

Het palet aan subsidies van het ministerie van Economische Zaken voor innovatie en bedrijvigheid is als altijd kleurrijk en veelzijdig – en kostbaar. Weliswaar heeft minister Kamp (VVD) voor komend jaar het aantal subsidieregelingen licht gesnoeid (111 in 2016 tegen 133 dit jaar), het budget ervoor is met een kleine 100 miljoen verhoogd tot bijna 2,2 miljard euro. De komende jaren loopt dat verder op tot 3,7 miljard in 2020. 

Morgen en donderdag behandelt de Tweede Kamer de begroting van Kamp voor komend jaar, over de deelonderwerpen economie en innovatie. Na het herfstreces is landbouw aan de beurt, dat valt onder staatssecretaris Sharon Dijksma (PvdA).

Over subsidieregelingen is de Tweede Kamer doorgaans tam en weinig kritisch. Het is een fractie van de immense overheidbegroting van 262,1 miljard. En het mes erin zetten zou bedrijfstakken en ondernemers maar tegen de haren instrijken. Wel vroeg de Kamer de vorige minister van Economische Zaken, Maxime Verhagen (CDA) om meer inzicht te geven in de effectiviteit van bedrijfssubsidies. De Algemene Rekenkamer had in 2011 geconstateerd dat áls subsidieregelingen al geëvalueerd worden, er niet of nauwelijks naar effectiviteit wordt gekeken.

Effect „grotendeels onduidelijk”

Begin dit jaar had het Centraal Planbureau eenzelfde soort klacht. Onderdirecteur Bas ter Weel schreef in het tijdschrift Economisch Statistische Berichten dat het „grotendeels onduidelijk blijft” of overheidsubsidies gericht op innovatie „effectief” zijn.

De oorzaak daarvan is simpel, zegt Bart Nooteboom, emeritus hoogleraar innovatiebeleid. „Het effect van dit soort subsidies ís nu eenmaal heel lastig te meten. Het succes van een bepaalde innovatie of vinding hangt immers van veel meer factoren af dan de geldstroom van de overheid.”

Nooteboom kent sinds zijn onderzoek hiernaar voor de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in 2007 wel een algemene constatering: naarmate een innovatie dichter bij de introductie op de markt staat, is een subsidie minder nodig en wanneer een innovatie nog pril is, is de effectiviteit minder goed te meten. „Dat is de paradox: naarmate het effect beter te meten is, is de subsidie minder goed te rechtvaardigen. Als een innovatie eenmaal succesvol in de markt te zetten is, kan die zichzelf bedruipen.”

Succesvolle subsidie geschrapt

Volgens Erik Stam, hoogleraar economie aan de Universiteit Utrecht, heeft Economische Zaken na het kritische rapport van de Rekenkamer uit 2011 wel een en ander verbeterd. Via de website volginnovatie.nl probeert het ministerie te laten zien welke bedrijven subsidie krijgen en wat daarmee gebeurt. En er zijn betere evaluatiemethoden ontwikkeld.

Stam: „Het ironische daarbij is dat de subsidieregeling die technisch gezien het best geëvalueerd is, wegens gebrek aan beoogde effecten alweer is geschrapt.” Dat was de zogeheten innovatievoucher, een tegoedbon waarmee mkb-bedrijven kennis konden inkopen bij universiteiten en hbo’s. „Terwijl men in het Verenigd Koninkrijk juist razend enthousiast was over deze uit Nederland overgenomen subsidievorm. Daar bestaat -ie nog.” Het komt volgens Stam vaker voor dat onderzoek naar de effectiviteit van subsidies tot verschillende conclusies leidt.

Hij ziet nog een discrepantie. „We weten uit economisch onderzoek dat innovatie een van de belangrijkste aanjagers is van welvaartsgroei op lange termijn. Maar het is tegelijkertijd de minst grijpbare.”

Bart Nooteboom vindt dat subsidies niet per se meetbaar individueel resultaat moeten hebben. De overheid, zegt hij, moet er als een durfkapitalist tegenover staan. „Ga er bij het verstrekken van subsidies van uit dat twee op de tien projecten lukken. 80 procent dus niet.” Maar dat is niet erg. „Ook van mislukte programma’s kun je leren.” Toen hij dit eens aan een van Kamps voorgangers vertelde, kreeg hij te horen dat de Kamer die houding nooit zou accepteren. „Die roept dan dat er geld verspild wordt. Onze samenleving is helaas niet ingericht om risico’s te nemen.”