Politiek kostte hem veel vrienden

Maarten van Traa (1945-1997) was elf jaar Tweede Kamerlid. Een romantisch maar gecompliceerd politicus, blijkt uit een nieuwe biografie.

Net zo oud als de klacht dat de politiek niet deugt, is de verzuchting dat het vroeger in de politiek tenminste ergens over ging. Toen ja, toen was alles beter. Nostalgie blijkt vaak een slechte raadgever. Dat neemt niet weg dat boeken over de recente politieke historie altijd weer een nuttige spiegel kunnen zijn voor de hedendaagse politiek. Dat geldt in het bijzonder voor de deze week verschenen biografie De jaren van Maarten van Traa.

Rechtvaardigt iemand die elf jaar Tweede Kamerlid voor de PvdA is geweest een biografie? Een biografie bovendien die met 592 pagina’s dikker is dan het boek dat in 2008 verscheen over het leven van PvdA-monument Joop den Uyl? Bij de omvang zijn vraagtekens te plaatsen, maar voor het overige heeft ex-advocaat en oud-rechter Willem van Bennekom met zijn biografie bewezen dat een Kamerlid een uitermate boeiend boek kan opleveren.

Dat komt in de eerste plaats door de hoofdpersoon, maar zeker ook door de wijze waarop Van Bennekom, die vier jaar aan de biografie werkte, zijn project heeft aangepakt. Met oog voor – soms iets te veel – detail, maar tegelijk nooit de grote lijn uit het oog verliezend, heeft hij een beeld geschetst van een principieel, romantisch maar ook gecompliceerd politicus. Iemand voor wie, zoals Van Bennekom schrijft, politieke loyaliteit was te vergelijken met een liefdesaffaire. ‘Absolute trouw jegens de PvdA als organisatie zou hij nooit kunnen opbrengen. Loyaliteit liep bij hem over personen.’

Infiltranten in de onderwereld

De in 1997 bij een auto-ongeluk omgekomen Maarten van Traa, was al enigszins van de politiek aan het afscheid nemen toen hij bij het grote publiek bekend werd als voorzitter van de parlementaire enquêtecommissie die een onderzoek deed naar de door de politie gehanteerde opsporingsmethoden. Het rechercheteam IRT (Interregionaal Recherche Team) importeerde in die tijd met hulp van infiltranten drugs om inzicht te krijgen in de onderwereld. In de praktijk runden de boeven de politie, in plaats van andersom, zo bleek achteraf. Van Traa voelde zich in 1994 gepasseerd bij de formatie van het eerste paarse kabinet onder leiding van Wim Kok. Het voorzitterschap van de IRT-commissie was een soort compensatie.

Maar het is niet het cv dat de persoon en dus de biografie van Van Traa zo enerverend maakt. Dat zijn de door Van Bennekom beschreven verschillende omgevingen waarin hij opgroeide en later als journalist en politicus opereerde: de wereld hoe politiek kon ontstaan, en hoe politiek werd bedreven. Noem het politiek als hartstocht, een tegenwoordig haast verdwenen categorie.

Als zoon van de Leidse hoogleraar economie Piet van Traa (die, zoals Maarten pas op 44-jarige leeftijd na diens overlijden zou horen, niet zijn biologische vader was) en zijn moeder Jet, die als journalist werkzaam was geweest, groeide hij op in een milieu dat volgens Van Bennekom ‘door allerlei vezels verbonden was met één van die typisch Nederlandse elites.’ Zijn ouders bevonden zich het centrum van ‘een subcultuur van waaruit veel van het toenmalige Nederland was ontstaan of zou worden gevormd en bestuurd.’

En hij was het niet eens met Paars

Het was een vriendenkring van vertegenwoordigers van de Leidse traditie waarin de macht van het recht zich boven het recht van de macht verheft. Een principe dat Maarten van Traa vele jaren later als Kamerlid dat zich bezighield met asielkwesties consequent zou hanteren. In dat licht is ook zijn fanatieke strijd voor mensenrechten te verklaren.

Van Traa was een echte ‘soixante-huitard’ die in de roerige periode van de onlusten van 1968 aan de Parijse Sorbonne studeerde en midden in ‘les événements’ zat. Het is een verklaring voor zijn gepassioneerde politieke gedrevenheid die hij later zou etaleren ten tijde van het kruisrakettendebat als compromisloos tegenstander van plaatsing van nieuwe kernwapens. Met zijn onverzettelijke houding maakte hij weinig vrienden. Het kostte hem zelfs hechte vriendschappen.

Voor de PvdA dreigde Van Traa net als de kruisraketten een blok aan het been te worden, schrijft Van Bennekom. Van Traa voelde het zelf. Hij maakte op het partijbureau van de PvdA niet de meest gelukkige jaren mee. ‘De vergezichten van het begin hadden plaatsgemaakt voor een harde confrontatie met wat “de feiten” plegen te worden genoemd’, stelt de biograaf droogjes vast.

Van Traa maakte als Tweede Kamerlid nog een aantal van de paarse jaren mee voordat hij op 21 oktober 1997 verongelukte. Hij had weinig affiniteit met de richting waarin de PvdA zich binnen paars ontwikkelde. Marktwerking en dalend begrotingstekort waren er de kernbegrippen. Ging het nog wel om hervorming van het kapitalisme, vroeg Van Traa zich af. ‘Vervreemding’ was één van de woorden die Van Bennekom aantrof in één van de laatste aantekeningenschriften van Van Traa.