Column

Pegida, maar dan vanuit de war room

De war room lag in het politiebureau aan de Briljantlaan in Utrecht-zuid. In de kelder zat de speciale politie-eenheid SGBO – Grootschalig en Bijzonder Optreden – via beeldschermen te turen naar de kleinschalige Pegida-demonstratie. Op de begane grond zaten de hoofdofficier van justitie, het sectorhoofd politie en burgemeester Jan van Zanen. Om de drie kwartier kwam de algemeen commandant de kelder uit om verantwoording af te leggen over zijn instructies aan de inspecteur op het Vredenburg. „Ik sta helemaal strak”, zei Van Zanen. „Dit is een ingewikkelde dag.”

Twee demonstraties op één dag is al ingewikkeld, zeker als de een demonstreert tegen de ander. Maar in Utrecht stond gisteren ook iets anders op het spel. Dit was geen wilde uitbarsting van protest tegen het asielbeleid, zoals de bijna-insluiting van staatssecretaris Dijkhoff in Oranje of de overval op een asielzoekerscentrum in Woerden. Dit tegengeluid was georganiseerd en geregeld, en zeker nu het sterker lijkt te worden, moest burgemeester Van Zanen bewijzen dat zulk geluid mag worden geuit en serieus wordt genomen. En dat het vreedzaam kon. Dat was ook het belang van de Pegida-organisatie, want die willen dit vaker doen, net als in Duitsland.

Van Zanen zei het op z’n burgemeesters: „Mensen hebben zorgen. Een groep heeft een afschuwelijke vlucht achter de rug, een andere groep is bezorgd over een invasie van vluchtelingen. Ik ben er voor de hele gemeenschap.”

Toen ik op het Vredenburg met Joke Hagemans en Anja van der Laan uit Sterrenwijk stond te praten („We voelen ons weggecijferd”) rende iedereen ineens naar het ME-busje voor de Perry Sport. Twee kale mannen in bomberjacks sprongen op de antifascisten achter de linie. „Ingrijpen”, riep de algemeen commandant vanuit de Briljantlaan. Vier agenten wierpen zich tussen de benen door in de ring en vormden een linie.

„Pieter, terugkomen”, gilde Pegida-leider Edwin Utrecht, die net aan zijn toespraak begonnen was en ineens zonder gehoor achter was gebleven. „Laat je niet provoceren.”

En toen veertig antifascisten het Vredenburg op probeerden te komen – „Nazi’s dood” scanderend – vormde de inspecteur drie kordons. „Zo, zo en zo”, schreeuwde hij. „En dan vegen.”

‘We zijn voorbereid om elk gedoe de kop in te drukken”, zegt Van Zanen als ik even later op het politiebureau ben. „Inkapselen noemen we dat.” Op dat moment zijn er maar tien aanhoudingen verricht, in beide kampen. „Ik verwacht er meer. De vraag was tijdens de demonstratie: ga je meteen aanhouden? Heb je alle informatie?” Nu worden de beelden geanalyseerd.

Aan het einde van de dag oogt Van Zanen redelijk tevreden. „Ik hoop dat deze dag het evenwicht in de stad enigszins hersteld heeft.” En al belooft hij niet met zoveel woorden dat Pegida ook een volgende keer in Utrecht mag demonstreren, hij zegt wel: „Ik ben niet zo van de afdeling aanwijzingen.”