Papa Paramaribo

Achtentwintig jaar lang was ik de enige bruine telg van een geheel wit gezin. Tot ik op een middag een mailtje kreeg: ‘IK BEN OP ZOEK NAAR MIJN ZOON RAOUL DE JONG ? ? ?’. Mijn Surinaamse vader had God gevonden en zocht naar zijn kinderen. Zeven in totaal, bij vier moeders. Ik ben de oudste, de enige van een Nederlandse vrouw.

We spraken af in de hal van Amsterdam Centraal. Ik had mijn uiterste best gedaan en was op tijd. Ik hoopte op een soort Humberto Tan. Of een professor in een corduroy jasje. Iemand die langer, beter, mooier was dan ik. Maar van alle donkere mannen op deze planeet is er natuurlijk maar één mijn vader. Hij was tien minuten te laat. Ik herkende hem meteen.

Hij is net zo klein als ik. Heeft hetzelfde hoge voorhoofd. Hetzelfde magere lijf. Hij droeg een te grote glimmende bubble coat. Een vaal spijkerbroekie en zilverkleurige gympen. Hij sprak met een accent. „Prijs de Heer, ik heb je gevonden!” Hij moest huilen. Ik niet. Ik voelde vooral de behoefte hem een make-over te geven.

Mijn vader is mijn vader en ik ben onmiskenbaar zijn zoon, dat is het rare. Alles wat ik niet leuk vind aan mezelf, herken ik in hem: om de haverklap raakt hij zijn telefoon kwijt. Hij houdt (te veel) van witte wijn. Geld, rekeningen, dat soort dingen snapt hij niet. Hij is goed met woorden, maar komt zijn afspraken vaak niet na. Net als ik gelooft hij niet in toeval: voor hem heeft de Heer met alles een bedoeling, voor mij staat alles in de sterren geschreven.

Die eerste avond zijn we uit eten gegaan en dronken geworden, tot vier uur ’s nachts. In de bus terug naar huis klonk het nummer ‘papa, ik lijk steeds meer op jou’. En de volgende ochtend dacht ik dat alles anders was. Cynisme: niet langer. Bitterheid: voorbij. Dat duurde een week.

Zoals dat gaat met het leven: dat ging gewoon weer door. Mijn vader kwam nooit opdagen op afspraken. Aan de telefoon zei hij dat hij er geen issues mee had dat ik op mannen viel en dat bleef hij dan herhalen. Ik raakte mijn telefoon kwijt en uit luiigheid heb ik hem mijn nieuwe nummer nooit gegeven.

Maar toen overleed mijn hond, Puck, en liep ik naar mijn moeder in Marseille. Twee maanden lang was ik De Padvinder in de geheime Orde van Puck voor NRC. Ik lachte naar het leven en het leven lachte terug. Terug in Nederland kon ik gewoon weer worden wie ik was, maar het hoefde niet. Als ik De Padvinder ergens anders naar toe wilde sturen dan kon dat. Op de motor naar Cuba, zei Peter van NRC. Naar Oost-Europa, zeiden de lezers van mijn column. Maar ik zag de Padvinder in het regenwoud, slingerend aan lianen. En alleen in Suriname zou dat ergens op slaan. Mijn hele leven hebben mensen me verteld dat ik er eens naartoe moet gaan. Surinaamse omaatjes bij de bushalte, straatkrantenverkopers voor de supermarkt. En mijn vader.

Ik vond hem terug via de Christelijke boekwinkel waar hij vrijwilligerswerk deed. Hij was inmiddels ontslagen (ondanks het feit dat hij een vrijwilliger was – hij kwam nooit op tijd), maar de meneer achter de balie had zijn nieuwe nummer.

We spraken af in het Surinaamse restaurant op de Zeedijk. Ik was twintig minuten te laat.

Mijn vader zat binnen te wachten.