In één woord schuilt de hele wereld

Vanaf vandaag is het nieuwe Groene Boekje er. Guus Middag mist het woord ‘geheugenlaantje’, terwijl er zoveel in het woord zit – het aangeharkte erf van zijn oom Albert bijvoorbeeld.

Als het over herinneringen gaat, hoor je mensen wel eens zeggen: „Dat was voor mij een trip down memory lane.” Deze uitdrukking staat nog niet in de nieuwe Van Dale, noch in het Groene Boekje. Af en toe hoor je nu ook wel de Nederlandse vertaling ervan: ‘een trip naar het geheugenlaantje’. Die staat er ook niet in. Het woord ‘geheugenlaantje’ spreekt mij wel aan. Ik wil graag denken dat er laantjes in mijn geheugen zitten. In een van die laantjes was ik klein en was ik onderweg naar de boerderij van oom Albert. Het was zondag. De dag ervoor had hij het erf geharkt, zoals elke zaterdag. Het had alle kenmerken van een ritueel: alle bladeren en takjes weg, het zand los en daarna mooi in streepjes geharkt.

Als ik op zondag het erf van de boerderij wilde oplopen deinsde ik terug: daar strekte zich het ongerepte aangeharkte erf voor me uit. Een onbeschreven blad. Niemand had het ooit verboden, maar eroverheen lopen kon eigenlijk niet, dus dan liep ik maar zo snel mogelijk op mijn tenen langs de randen van het erf, in de hoop dat niemand het zag. Ik zal het niet groter maken dan het was, maar toch: iedereen had respect voor een aangeharkt erf.

Jarenlang dacht ik niet meer na over het erfharken, totdat ik het ineens weer aantrof, in een naamloos gedicht van J.A. dèr Mouw (1863-1919). Tijdens de reis door zijn geheugenlaantjes belandt hij in zijn jeugd, op de Veluwe, op een warme stille nazomerse zondagnamiddag. Zoals altijd bij Dèr Mouws herinneringen is het een sfeervol geheel, in toegankelijk Nederlands. Je rijdt zo met hem mee het landschap binnen. Je ziet het blauwig waas om de verre dennen, en het glooiend stoppelveld ‘vol sprietjes vuur’ – een mooi beeld voor het zonlicht dat op de stoppels schijnt. Op de droge stoffige weg maakt een haas zich uit de voeten, in ‘stofwolkjes van grindweg’. Ook mooi gezegd.

En dan draait hij het erf van een boerderij op. Daar staan, net als bij oom Albert, dahlia’s op een rij. Ze zijn zoals het hoort ‘ouërwets bolrond’, in de eigengereide spelling van Dèr Mouw. Er is nog wel meer eigengereids aan zijn waarnemingen. Het twittergeluid van de zwaluwen noemt hij ‘tjispren’. Het woord staat niet in Van Dale. Het is een woord dat in het Nederlands maar één keer voorkomt, en wel op deze plaats. Zo’n woord heet een ‘hapax’, en dat staat er dan weer wel in.

In de regel daarna beleefde ik mijn madeleine-moment: ‘nog rul van zaterdagse hark is ’t zand’. Zoals het cakeje bij Proust bepaalde jeugdherinneringen naar boven bracht, zo bracht de formulering van Dèr Mouw mij terug naar het erf van oom Albert. ‘Rul’, dat was helemaal het goede woord voor hoe het zand er op zondag bij lag. En ‘zaterdagse hark’ had precies dat mengsel van ambtelijke plichtpleging en laconieke formulering dat bij het halfgewijde karakter van het harkritueel hoorde. Zo had ik het zelf gezegd willen hebben. En ik schoot ervan in de lach, want er zat toch ook wel iets potsierlijks in die bevordering van alledaagse hark tot zaterdagse hark.

Ook bij Dèr Mouw las je de eerbied voor het geharkte perceel. En ook bij hem zag je (‘punt’, ‘lijnen’) associaties met een onbeschreven blad. Ik moest ook even denken aan het bekende gedicht van J.H. Leopold waarin een kind op een vroege morgen komt aangelopen en onder tegen een muur sneeuw ziet liggen en die sneeuw bijna als een dier of een ding ervaart, als ‘een sneeuw’ – ‘en met zijn voet gaat het schrijven over dit prachtige vlak’. Zo ongeveer moet het de jonge Dèr Mouw ook zijn vergaan: hij zag een zand en had er wel met zijn voet in willen schrijven. In zekere zin heeft hij dat met dit gedicht ook gedaan en daarmee het sfeervolle verstilde moment uit de tijd getild, heel anders dan de strekking van gezang 292 dat in de slotregels weerklinkt: ‘Uren, dagen, maanden, jaren, / vliegen als een schaduw heen.’

Dit is een typisch Nederlands gedicht. Je kunt je haast niet voorstellen dat het in een andere taal zou kunnen bestaan, maar toch is het nog niet zo lang geleden vertaald, in het Duits en het Engels. Daarin is de zaterdagse hark gewoon een Saturday’s rake en een Samtagsrechen geworden. Wat zou een Engelse of Duitse lezer zich daarbij voorstellen, als hij nooit het zondagse erf van oom Albert heeft gezien? Die ‘ouërwets bolronde dahlia’s’ werden in het Engels ‘old fashioned dahlias, like giant taws’. Dat is natuurlijk heel iets anders dan de dahlia’s van oom Albert. Een ‘taw’ is een grote knikker. Maar wat weet ik eigenlijk van Engelse woorden? In een reactie op deze vertaling schreef een Engelsman op internet: ‘Taws – long time since I’ve heard that one (and a wee bit longer still since I felt one!)’ Voor hem bloeit er blijkbaar een hele wereld open bij het lezen van dat ene woord, zoals voor mij bij die zaterdagse hark in het rulle zand. In elk goed gekozen woord gaat een hele wereld schuil.