Het IMF praat over, maar niet mét China

China zweeg bij het IMF, waar de oplossingen voor de wereldeconomie steeds exotischer worden.

Winkel in Beijing. De Chinese economie groeit volgens het IMF dit jaar 6,8 procent. Foto Jason Lee / Reuters

De olifant was er niet helemaal bij in Lima. Terwijl de Europeanen tijdens de jaarvergadering van het Internationale Monetaire Fonds in de Peruaanse hoofdstad opgelucht constateerden dat hún problemen eens niet het middelpunt waren van de discussie, liet China grotendeels verstek gaan. En dat nu de lotgevallen van de Chinese economie allesbepalend zijn voor de gezondheid van de wereldeconomie als geheel.

Het land is goed voor helft van de mondiale vraag naar metalen en zelfs 60 procent van de vraag naar ijzererts, zo onderstreepte de nieuwe IMF-topeconoom Maurice Obstfeld. In China, schreef de Amerikaanse econoom Larry Summers, werd tussen 2010 en 2013 evenveel beton gestort als in de Verenigde Staten in de gehele twintigste eeuw.

Als de Chinese economische groei inzakt, dan merkt de hele wereld dat. In Duitsland daalde de export afgelopen maand met 5,2 procent – de grootste daling sinds de crisistijd van begin 2009. Grondstoffenlanden hebben het zeer zwaar doordat hun grootste afnemer het laat afweten en de prijzen zijn ingestort.

Maar was dat nu terug te zien in Lima? Het IMF sloeg zelf alarm over de wereldeconomie, maar handhaafde zijn prognose voor de Chinese economische groei op 6,8 procent dit jaar en 6,3 procent volgend jaar. „Het lijkt erop dat ze voor vrijwel alle opkomende landen de vooruitzichten hebben teruggeschaald, maar juist voor China zelf niet”, merkte minister van Financiën Dijsselbloem (PvdA) op.

Aanwezigen bij de vergadering van het IMF merkten dat de Chinese centrale bank niet president Zhou Xiaochan naar Lima had gestuurd, maar diens plaatsvervanger, Yi Gang. En die deed zijn mond niet open. „We praatten wel over China, maar niet met China”, zei een van hen. En Chinese journalisten, scherp, welbespraakt en steeds massaler aanwezig op deze bijeenkomsten, waren ditmaal op de vingers van een hand te tellen.

De onduidelijkheid over China, die zich veelal uit in de frustratie dat (naar koopkracht gemeten) de grootste economie ter wereld van 1,4 miljard mensen in wezen een zwarte doos is, draagt bij aan een algemener probleem. Zeven jaar in de crisis blijft de productiviteitsgroei wereldwijd sterk achter. En aangezien verschillen in productiviteitsgroei normaal gezien de onderlinge concurrentieverhoudingen bepalen, zoeken landen en blokken het nu in een alternatief. Vroeger zou dat het manipuleren van de wisselkoers zijn geweest, maar in een wereld van vrij kapitaalverkeer is dat taboe.

In plaats daarvan zijn landen gaan wedijveren wie het meest losse monetaire beleid voert, zegt Axel Weber, topman van de Zwitserse bank UBS en voormalig bestuurder van de Europese Centrale Bank. Met hetzelfde effect: de ‘concurrerende versoepeling’ stuurt nu vaak de wisselkoers. Zie de daling van de euro vorig jaar, als gevolg van het voorgenomen opkoopbeleid van de Europese Centrale Bank. Maar dat verschuift het probleem alleen maar van het ene deel van de wereld naar het andere. Als de koek mondiaal niet genoeg groeit, komt dit soort concurrentiebeleid neer op een ‘zero sum game’: wat de een wint, verliest de ander.

En dus blijft, zeven jaar later, de zoektocht gaande naar de uitweg uit de langdurige periode van wat wel ‘structurele stagnatie’ wordt genoemd. Wellicht, schreef Summers deze week, is het monetaire beleid wel uitgewerkt en moeten de begrotingstekorten weer oplopen om de vraag in de economie te stimuleren. De rente is ultralaag, dus nu is het de tijd.

Economie heeft nog stevige kater

Nee, ging een andere topeconoom, Ken Rogoff, daar tegenin. De economie ligt niet in coma, zij heeft alleen nog een stevige kater. Nog meer schulden maken is contraproductief. Er is juist veel te veel schuld, en dat zal moeten worden afgebouwd.

De discussie begint te lijken op de twaalfde ronde van een bokswedstrijd, waarin twee tegen elkaar hangende zwaargewichten nog wat machteloze klappen uitdelen. Maar wat als er intussen een andere ontwikkeling plaatsgrijpt? Er waren in Lima aanwezigen die dat in de Verenigde Staten in de praktijk al zien gebeuren. Naast China was het rentebeleid van de Fed, het Amerikaanse stelsel van centrale banken, het voornaamste onderwerp van gesprek. Wanneer gaat de rente daar, voor het eerst in negen jaar, omhoog?

Die vraag gaat voorbij aan een veel interessanter fenomeen dat in de wandelgangen opborrelde. Tijdens de crisis verlaagde de Fed de rente tot bijna nul en begon, toen dat te weinig uithaalde, met het massaal opkopen van vooral staatsleningen. Destijds werd verwacht dat als de Fed zijn beleid weer zou normaliseren, zij eerst al die staatsleningen weer zou verkopen, om daarna de rente op te schroeven.

Dat gebeurt niet. Terwijl er druk wordt gespeculeerd over een rentestap staan al die staatsleningen gewoon nog op de balans. Blijven ze daar? In het hypothetische geval dat zij daar altijd zouden blijven, financiert de centrale bank dus eigenlijk de staatsschuld met vers gedrukt geld. Is zulke monetaire financiering de onuitgesproken nieuwe strategie? Het werd in Lima niet langer uitgesloten.