Column

Een Europees verhaal tegen Poetin en IS

Dit seizoen werpt Tegenlicht (VPRO) weer een aantal zeer interessante, elders verwaarloosde kwesties op, zoals TTIP en de slag om een duurzame toekomst, maar de antwoorden stellen regelmatig teleur.

Khadija Kadrouch-Outmany (Tegenlicht/VPRO)

Neem nu de aflevering van gisteren, Branding Europe door Sarah Sylbing. De vraagstelling en de eerste analyse van het probleem kloppen als een bus. Europa wordt aan haar grenzen bestookt door twee gestroomlijnde en effectieve propagandamachines. Rusland bestookt de Russisch- talige minderheden in de Baltische staten met halve waarheden, oorlogsretoriek en emotionele propaganda. En het kalifaat speelt slim in op de behoefte van veel moslimjongeren erbij te horen.

Het lastige is volgens Europees historicus Mathieu Segers dat Europa de innerlijke kracht mist om in beide gevallen een inhoudelijk antwoord te formuleren. Wat zijn immers die Europese waarden en wie is bereid en in staat ze te verdedigen? Voormalig voorzitter van de Europese Unie Jacques Delors bedacht voor de Europese identiteit al eens de term UPO (Unidentified Political Object).

Misschien moet je de Europese gemeenschappelijkheid zoeken in een overmaat aan respect voor de geschiedenis, een voorkeur voor niet-rechte straten met onuitspreekbare namen, wandelsteden en een als weldadig ervaren gebrek aan efficiëntie.

De propaganda van Poetin identificeert Europa bij voorkeur met morele verdorvenheid en een verbrokkelende structuur. Europa, dat is het homohuwelijk, Grieken en Conchita Wurst.

Arabist Maurits Berger constateert dat West-Europese moslims zich nog net zo slecht thuis voelen in onze samenleving als ten tijde van de moord op Theo van Gogh (2004), ondanks de talrijke beleidsmaatregelen om daar verbetering in aan te brengen.

Berger vormde een denktank met onder meer de antropoloog Khadija Kadrouch-Outmany. Zij formuleert beter dan wie ook in de uitzending waar de schoen wringt: de permanente, vaak half bewuste uitsluiting en labeling van moslims. En zij bepleit geen counternarrative, maar een verhaal vóór Europese normen en waarden.

Sylbing bezoekt onder meer in Tallinn jongeren die zoals meer jonge intellectuelen in Oost- en Midden-Europa heel goed kunnen verwoorden wat een rechtsstaat en een civil society vermogen.

In Brussel fungeert onder leiding van de federale minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon (N-VA) een geheim Europees propagandacentrum. Tegenlicht vroeg een reclamebureau wat daar bedacht zou kunnen zijn. Zo belanden we op de heilloze weg van leuzen, folders en alternatieve vlaggen, die ons geen jihadist minder zullen bezorgen.

Wat het programma niet of nauwelijks noemt is het zwakke imago van Europa bij de autochtone bevolking. Het rot van binnenuit, vooral bij de economisch zwakkeren, die ‘Europa’ als de oorzaak van hun situatie ervaren. Voor de jongste generatie have-nots speelt de angst voor oorlog nauwelijks meer. Integendeel: juist daar is de gevoeligheid voor Russische propaganda, voor de noodzaak van een sterke leider, bijna net zo groot als onder de Estse en Letse Russen.