De dokter krijgt de schuld

Mieke Kerkhof is gynaecoloog. Ze voelt zich als arts soms een wegwerpartikel. „Ik ga terugvechten tegen al die onterechte klagers die vergeten dat de dokter ook maar een mens is.”

De vader van Mieke Kerkhof was aannemer en meubelmaker, haar moeder was „liefdevolle huisvrouw zonder beroep”. Ze hoopte dat haar dochters – ze kreeg er vier, en nog twee zoons – wel betaald werk zouden hebben, liefst in de zorg. De wens kwam uit, en hoe. Eén dochter werd huisarts, één dochter vroedvrouw, één dochter schrijft een proefschrift over dementie en Mieke Kerkhof (53) is gynaecoloog. Ze werkt in het Jeroen Bosch Ziekenhuis in ’s Hertogenbosch. Zo’n prachtig vak, zegt ze. Ze leeft ervoor.

Vanaf het begin schreef ze kleine verhalen over de grappige of ontroerende dingen die ze in haar praktijk meemaakt, anderhalf jaar geleden werden ze gebundeld in een boekje, Even ontspannen, mevrouw. Rond die tijd realiseerde ze zich voor het eerst dat ze bang was om tijdens haar werk een fout te maken. Of nee, ze was bang dat iemand zou vínden dat ze een fout had gemaakt.

Ze begon erover na te denken hoe dat kwam. Zo moeilijk was het niet. In de jaren die achter haar lagen had ze meegemaakt hoe anders zwangere en barende vrouwen zijn gaan denken over wat bij het leven hoort, wat ze acceptabel vinden. Meer pijn dan verwacht? Een bevalling die langer duurt dan gepland? Een complicatie? Vroeger had moeder natuur het gedaan. Nu krijgt de dokter de schuld. En die zal dat weten ook.

Een poos ervoor had ze de bevalling begeleid van een tweeling, meisjes, die lastiger verliep dan zich eerst liet aanzien.

Het eerste meisje werd na drie kwartier persen geboren en deed het meteen goed. Maar bij het tweede meisje zakte de navelstreng uit, waardoor ze zuurstofnood kreeg. Mieke Kerkhof probeerde haar met de vacuümpomp te halen, maar dat lukte niet en het eindigde in een spoedkeizersnee. Het tweede meisje moest naar de intensive care.

Alles was volgens de regels gegaan en de ouders leken Mieke Kerkhof niets kwalijk te nemen, tot er een jaar later een e-mail kwam. Het ziekenhuis werd aansprakelijk gesteld. „Niet omdat ze iets tegen mijn handelwijze hadden. Ze wilden eruit halen wat erin zat.”

De procedure duurde lang en ze moest telkens weer lezen hoe nalatig ze was geweest, hoe buitengewoon onzorgvuldig ze had gehandeld. „Mijn vrouw zei: standaardzinnetje. Mij deed het pijn.” Ze werd er onzeker van. Had een andere gynaecoloog het misschien beter gedaan? Ze was bang dat het meisje zat te vegeteren in een of ander Brabants instituut.

Maar dan wat er vorig jaar gebeurde.

Loopt ze door de gang van het ziekenhuis, zwaait er een vrouw naar haar. De moeder met de twee meisjes. „Hallo dokter Kerkhof. Wat leuk om u tegen te komen. Dit is Puck. [Niet haar echte naam.] Puck, geef de dokter eens een handje. Het gaat goed met haar, ook op school, gelukkig maar. Vindt u toch niet erg, hè, dat ik u even aanspreek?” Mieke Kerkhof: „Ik voelde me een wegwerpartikel.”

Ze schreef er een column over in het artsentijdschrift Medisch Contacten verbaasde zich over de vele reacties van collega’s – hoe vaak die zich óók een wegwerpartikel voelen. „En nu”, zegt Mieke Kerkhof, „heb ik besloten dat ik ga terugvechten tegen al die onterechte klagers die vergeten dat de dokter ook maar een mens is. Een mens met gevoelens.” De Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie gaat een Commissie Collegiale Ondersteuning oprichten om dokters te helpen dit soort narigheid te verwerken.

Natuurlijk, dokters kunnen ook verschrikkelijk zijn, zegt Mieke Kerkhof. En hoe het er vroeger in de spreekkamer soms aan toeging, dat kun je je nu bijna niet meer voorstellen. Ze pakt een foto van een bordje dat ze eens bij een gynaecoloog zag hangen. Dames, wilt u voor het onderzoek uw broekje uitdoen en op de bel letten, svp? „Zat je daar in je blote kont op je beurt te wachten. En de dokter verdween meteen tussen je benen. Die stelde zich niet eens aan je voor.”

Ze denkt met gêne terug aan een voorval van toen ze nog in opleiding was.

Een zwangere vrouw wilde een keizersnee, want die had ze bij eerste kind ook gehad en ze was bang dat het litteken in haar baarmoeder zou scheuren tijdens de bevalling, een kans van één procent. „Tegenwoordig zeggen we sneller: als u dat wilt, doen we dat. Maar we praten over 1993 en toen zeiden we nog: mevrouw, ons advies is vaginaal baren, geen keizersnee als het niet nodig is.” Helaas, het litteken scheurt uit en Mieke Kerkhof baalt als een stekker. „Had ze toch gelijk gekregen.” Maar het stomste was, zegt ze, dat ze daarna niet naar het kraambed ging om de vrouw te feliciteren. Ze durfde zich er niet te vertonen. „Nu zou ik altijd zijn gegaan. Laatst heb ik nog een gaas laten zitten bij het hechten van een knip. Lig ik ’s nachts in bed, vier uur na de bevalling, en ik denk: ooooh. Meteen mijn bed uit, naar haar toe. Ze was aan het voeden en ik zeg: er zit nog een gaasje in, dat ga ik er nu even snel uithalen. Had niet gemoeten, sorry. Nou, geen probleem. Mijn openheid werd zeer op prijs gesteld.”

Des te erger vindt ze het hoe lomp en onverschillig patiënten zich kunnen gedragen. En dan de partijen die daar garen bij spinnen. In de bushalte bij de uitgang van het ziekenhuis hing jarenlang een affiche van een letselschadeadvocaat die patiënten opriep zich bij hem te melden met klachten over hun behandeling. „Ik heb hem wel eens opgebeld en gevraagd of hij zich kon voorstellen hoe dat voor mij voelde.” En? „Geen compassie. Hij vond het een perfecte plek.”

Een paar dagen voor dit gesprek kreeg ze tijdens haar spreekuur een mailtje van de marketingafdeling van het ziekenhuis. Een vrouw had haar op Zorgkaart Nederland – een site waarop je anoniem over zorgverleners kunt oordelen – een 2,8 gegeven. „Onder mijn leiding waren fikse fouten gemaakt en ze wilde andere patiënten voor mij waarschuwen. Bijna niet te verkroppen. Ik weet wat er gebeurd is en dat het niet waar is van die fouten, maar ja. Ik stuur die mevrouw een briefje, laten we erover praten, kennelijk heb ik u gekwetst. Geen reactie. Zouden mensen zich wel eens afvragen wat zoiets bij mij teweegbrengt? Je klikt zo’n mailtje open, je leest het, je wordt verdrietig, je kunt je de rest van de middag nauwelijks meer op je patiënten concentreren. Hou daar toch mee op! Iemand moet dit werk toch doen. Straks durven we het niet meer.”

Dat ze verder negens en tienen krijgt op die site troost haar nauwelijks.

„Ken je die van Wim Kan die na een voorstelling naar huis rijdt? Zegt zijn vrouw: leuke avond, zeven open doekjes. Hij: die mevrouw op de eerste rij lachte niet.”

Na het gesprek stuurt ze een foto van een gedenkplaat die vroeger in de liftenhal van het ziekenhuis hing. De patiënten van dokter J.F.J. Freericks (werkzaam van 1893 tot 1930) willen er hun dankbare herinnering aan zijn ‘bekwame en zorgvolle werkzaamheid’ mee uitspreken. Daaronder een foto van het ideeënbord waarop patiënten suggesties kunnen doen. Meer dokters, minder wachten. We wachten al drie uur!! Te lang. Homo’s zijn het. Vuile hoeren.

Zaterdag ’s nachts mailt ze dat ze al uren de wacht houdt, want er is een Bosschenaartje op komst dat voor zijn geboorte al veel aandacht wil. „Telkens gaat zijn hartslag naar beneden, maar net niet diep genoeg om het mes te pakken.” De volgende ochtend meldt ze dat hij gezond en wel geboren is. „Zijn oudste zusje is zwakbegaafd en zijn vader zei dat het bij hen met kinderen krijgen was als met pannenkoeken bakken. De eerste mislukt altijd.” Hij lachte er wel bij.