Zijn we sterk genoeg?

Waar is Mark Rutte? Overal klinkt het, alsof het plotseling tot ons is doorgedrongen dat onze premier toch niet de Vader des Vaderlands is die we in hem gezien hadden. Alsof we niet allang weten dat het er gewoon niet inzit. Alsof Rutte ons zelf niet allang duidelijk heeft gemaakt dat wachten op hem = wachten op Godot. Dat vlerkerig optimisme van hem, zo vaak geprezen in columns en profielen, richt zich alleen op de stralende kant van de globalisering – grenzen weg voor bedrijven, ontwikkelingshulp alleen als bijvangst in nieuwe afzetmarkten, heel die heerlijke nieuwe wereld van corporate kansen en mogelijkheden, als je ze maar durft te grijpen in dit waanzinnig gave land. De donkere kant van de globalisering, de groeiende kloof tussen arm en rijk, de failed states, identiteitspolitiek, het groeiende fundamentalisme en radicalisme en de stroom vluchtelingen – hij blijft er ver van met een aan smetvrees grenzende volharding.

Dáár is Mark Rutte. We weten het. Het krijgt dus al gauw iets zwelgends, blijven vragen om wat je weet dat je toch niet zult krijgen. Trouwens, moreel leiderschap betekent niet dat de boel zal bedaren. Ergens in een tijdlijn zag ik Charles de Gaulle een paar keer voorbij schieten – De Gaulle was ongetwijfeld een leider. Maar er werden tijdens zijn jaren als president van Frankrijk ook veertien aanslagen op hem gepleegd. Zover zijn we nog niet.

Hoever zijn we dan wel? In de sociale media is Armageddon alweer nakende. Schelden, dreigen, fout, racist, elite, tokkies, Gutmensch, Hitler, NSB, ratten, vergassen, ondergang, verzet – heel het sleetse Zwarte Piet-repertoire komt als op afroep voorbij.

In de bovengrondse media is de taal beschaafder, maar niet minder apocalyptisch: het debat is omgeslagen, het loopt uit de hand, het water staat ons aan de lippen, de grens is bereikt. Kijk, daar hebben we de veenbrand van Pim weer. Het land kent inmiddels meer politiek commentatoren dan bondscoaches. Leuzen en hakenkruizen worden op opvangcentra gekalkt. Tijdens inspraakavonden wordt gejouwd en geduwd, bij de door Wilders aangezwengelde opstootjes keert de menigte zich tegen de eenling met welkombord. Mob rule!

Een wonder dat het tot nu toe bij een gebroken pols bleef. Het is de crisis als kippenhok. Deze vrijdag werd de overtreffende trap bereikt toen Emile Roemer een Edith Schippers deed. Alleen zouden dit keer de duistere krachten binnen de VVD zitten: het relletje in Oranje is volgens de SP-leider bewust door staatssecretaris Dijkhoff veroorzaakt, om vanaf nu een harde lijn te kunnen volgen.

Die maffe beschuldiging maakt de inzet van het debat mooi zichtbaar: het gaat, zoals meestal in Nederland, vooral om sociale strijd, je emoties uitleven op de ander die jou het leven zuur maakt. In de Volkskrant vroeg Réne Cuperus zich af waarom van alle Europese landen de haat tegen de asielzoekers in Nederland het hoogst oplaait, waarom hier het virulente populisme niet op de flanken blijft, zoals elders, maar ook heel het politieke midden laat oplaaien.

Dat is een goede vraag – ik zou er een vraag tegenover willen zetten. Hoeveel van die haat is virtueel, hoe diep zit die werkelijk? Zeker, het ziet er van buiten afzichtelijk uit, zowel de screenshots van de uitzinnige racistische geweldsfantasieën van die zogenaamd bezorgde burgers als het digitale misprijzen voor tokkies door de weldenkenden – maar dat is geen burgeroorlog, het is de ander de maat nemen, die ander die zich beter wil voelen over jouw rug („Neem er dan zelf een paar in huis!”), de ander die zich goed wil voelen zonder voor de consequenties op te draaien – waarom moet Oranje 1.400 vluchtelingen opnemen en Den Haag geen één? Geef toe, woede is ook gewoon lekker.

Ik kan me vergissen, maar zit daaronder niet gewoon een vrij brede consensus? We kunnen niet aan de kant blijven staan, er is nood aan de man, we moeten vluchtelingen zo goed mogelijk opvangen, maar we weten ook dat er grenzen gesteld moeten worden, die moeilijk te bepalen zijn. We moeten nu doen wat we kunnen, op de lange termijn moeten er echte antwoorden komen. Zo wordt er in Oranje ook gedacht.

Die antwoorden geeft nog niemand. Dat maakt onzeker. Misschien zijn we niet sterk genoeg om in het heden te leven, schreef Saul Bellow eens in een brief. Laten we het proberen.