Waar gezamenlijkheid nodig is wordt oppositiekitsch geleverd

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: de oppositiekitsch waarmee Klaas Dijkhoff onder vuur lag. Ofwel: waarom niet voor één keer een gezamenlijk geluid tegen de PVV?

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Zonder cynisme kon je de week amper doorkomen in Den Haag. Dus laten we eens kijken of er voor volgende week nog een opbouwende draai aan te geven is.

Die mevrouw in het Drentse Oranje was nog maar net hardhandig voor de ‘dikke BMW’ van staatssecretaris Klaas Dijkhoff weggesleept of, jawel, de oppositie vond zijn stem terug.

Wekenlang had Wilders het vluchtelingendebat met verzetsoproepen en flyeracties gedomineerd. Het kabinet zweeg, de rest van de oppositie zweeg. Maar na die vertoning in dat Drentse gehucht durfde iedereen er grote woorden uit te gooien – nou ja, groot?

In elk geval vonden ze dat Dijkhoff het ‘draagvlak’ voor de opvang in de waagschaal had gesteld door Oranje gauw zevenhonderd extra asielzoekers in de maag te splitsen. En ineens waren ze stuk voor stuk weer op televisie – Buma, Roemer, Pechtold, etc. Wat een moed.

Intussen kwam de onvermijdelijkheid van de huidige vluchtelingenopvang amper aan de orde. Terwijl dat natuurlijk het punt is: je hoeft echt geen voorstander van meer asielzoekers te zijn om te weten dat elk alternatief nu ontbreekt.

Ik bedoel: als zelfs het repressiefste (Noord-Korea) en rijkste (Noord-Amerika) land ter wereld er niet in slagen de landsgrenzen te sluiten moet het toch mogelijk zijn de Nederlandse bevolking te overtuigen dat ‘grenzen dicht’ onhaalbaar is? We hoeven toch niet toe te geven aan alle feitenvrije politiek?

Je kunt natuurlijk zeggen dat de staatssecretaris de oppositie een gouden kans bood. En dat Dijkhoffs eigen VVD er ook een potje van had gemaakt: eerst met Azmani’s ‘grenzen dicht’, daarna met Halbe Zijlstra’s claim dat het recht op asiel in Nederland zou vervallen.

Maar de kern van de zaak is het niet. De kern van de zaak is dat bijna niemand in die hele oppositie Wilders nog aandurft. En iedereen zich dus maar te buiten gaat aan oppositiekitsch tegen die ene bestuurder die het onoplosbare toevallig in zijn takenpakket heeft. Samen beuken op Dijkhoff: de laatste die je deze week gelukzoeker kon noemen.

En het werd erger. Ze hadden Dijkhoff nog niet afgedroogd of de volgende onwaarachtigheid kondigde zich aan. Het bekende liedje: als ze het in de oppositie niet meer weten, is er altijd een fractievoorzitter die begint over gebrek aan ‘regie’, gevolgd door de oproep voor een alomvattende ‘visie’.

Dit laatste doet het erg goed bij publieksintellectuelen. En ik begrijp het ook wel. In de leegte van het onoplosbare moet er iets te praten overblijven. Zo ontstaat zo’n typische mediacreatie van een ‘groeiende’ oproep voor meer regie en visie: Rutte, waar ben je?

Wijlen Jan Schaefer, de toenmalige bouwwethouder van Amsterdam, zei in de jaren 80 dat je in gelul niet kunt wonen. Hetzelfde geldt nu: van een visie krijg je geen opvangplaatsen.

En dan: het probleem van de huidige politiek is echt niet dat er te weinig gezegd wordt. Het probleem is dat er te weinig gedáán wordt.

Nu is het leven helaas vol nuances. Want uit tactisch oogpunt was er best iets voor te zeggen dat de oppositie (en de coalitie) aanvankelijk niet reageerde toen Wilders een paar weken terug ‘verzet’ tegen nieuwe asielzoekerscentra ging propageren. Een oud wetje: wie zich keert tegen standpunten waarmee de wantrouwende burger wordt bediend, voedt het wantrouwen van diezelfde burger. Zwijgen is dan zo gek nog niet.

Maar als die tactiek veroorzaakt dat de wantrouwende burger het hele speelveld in handen krijgt, moet je tijdig zien dat de opzet mislukt. Het land zit blijkbaar tegen de grenzen van zijn empathie aan.

Evengoed wordt er wel erg dramatisch gedaan over Wilders’ groei in de peilingen. De recente geschiedenis leert dat de PVV al ettelijke keren – bijvoorbeeld najaar 2013 – rond de 35 zetels in de peilingen scoorde. Van een vluchtelingencrisis was toen geen sprake. Feit is ook dat dezelfde PVV in 2014 en 2015 alle verkiezingen verloor.

Er komt bij dat in Wilders’ wereld succes meestal gepaard gaat met zelfdestructie. Donderdag legde NRC-fotograaf David van Dam in de Kamer een ontmoeting vast tussen oud-PVV’er Hero Brinkman, die door sommige PVV’ers wordt gehaat, en het Kamerlid Dion Graus, Wilders-volgeling van het eerste uur.

De twee bleken een afspraak te hebben. En Brinkman, die sinds kort met Dirk Scheringa een nieuwe Ondernemerspartij runt, vertelde me na afloop dat hij Graus zover heeft gekregen om „mee te denken” over het programma van zijn partij. „Dion gaat meehelpen ondernemersbeleid voor dierenwelzijn en milieu te ontwikkelen”, zei Brinkman.

Graus beaamde me dit. Hij zei zich te realiseren dat Brinkman nog altijd een slechte reputatie heeft bij sommige PVV’ers, „maar ik praat met wie ik wil”. En zijn keuze voor „meedenken” met Brinkmans partij moest je zien als een keuze voor het dier. Geen keuze tegen de PVV. „Ik adviseer meer partijen over dieren. Ook in Bulgarije”, zei Graus. Voor hem „staat het dier boven de politiek”. Wilders zal hij altijd trouw blijven: „Ik zal sterven als PVV’er.”

Binnen de PVV leidt Graus’ gedrag – hij heeft sinds kort openlijk contact met talrijke oud-PVV’ers – niettemin tot speculaties over een vertrek, ook omdat Wilders hem in een vorig jaar gelekte mail „instabiel” noemde.

En je kunt dit aan Graus wijten, maar evengoed aan Wilders. De werkelijkheid is dat de PVV-leider de verstandelijke vermogens van bijna al zijn fractiegenoten in twijfel trekt. Hij deed dit veel vaker en krasser dan tot nu toe bekend werd. PVV’ers weten dit van elkaar, de schade is ernaar, en het verwondert me hoe weinig media hierover melden.

Want dit is óók een aspect van de vluchtelingencrisis: een groot deel van het land volgt nu een man met een politieke operatie die minstens zo gammel is als zo’n bootje op de Middellandse Zee.

Iemand die sinds 2012 nog geen vijftien fractieleden bij elkaar kon houden en talrijke onverwerkte vijandschappen in zijn fractie meedraagt, maar niettemin alle dagen op televisie mag claimen dat hij de landsgrenzen wél kan sluiten.

Interessant is in dit verband ook dat de PVV – erg knap is dat – het vocabulaire van het studentenprotest van de jaren 60, ontleend aan de oorlog, tot het hare heeft gemaakt. De heroïek van Het Verzet in ’40-’45 en de romantiek van het studentenverzet in de jaren 60 worden nu gebruikt voor het asielzoekerverzet.

Progressieve symboliek voor cultureel-conservatieve doeleinden.

De conservatieve reactie bleef in de jaren 60 niet uit: in navolging van Nixon deed ook in Nederland de zwijgende meerderheid haar intrede. Wat een ironie: alle niet-PVV-politici gedroegen zich de laatste weken óók als een zwijgende meerderheid. Een meerderheid die niet in staat was een man met achter zich elf fragiele zeteltjes weerwoord te geven.

En nu dit zo is gelopen, zou die meerderheid van niet-PVV’ers, in coalitie én oppositie, natuurlijk ook kunnen besluiten, voor één keer, samen terug te praten. Met één stem. Niet langer de minipolitieke kritiekpuntjes op Dijkhoff. Niet langer alle oppositie- en coalitiepartijen die ieder met een eigen verhaaltje aandacht vragen, zodat een werkelijk weerwoord uitblijft.

Neen: voor één keer een onverdeeld tegengeluid tegen Wilders, waarin het onvermijdelijke van de vluchtelingenopvang wordt geschetst en verdedigd. Niet omdat dit goed of wenselijk zou zijn, maar omdat het niet anders kan.

De nieuwe zwijgende meerderheid die zijn schroom aflegt en zegt: ik weet dat u de laatste weken vooral die ene man hebt gehoord, maar wij wijzen er, met zijn allen, even op dat hij niet namens de meerderheid spreekt.

Van oppositiekitsch naar een gezamenlijk tegengeluid – ik zou denken dat er een enorme behoefte aan is.