Verhoor Asscher: detective zonder lijk

De raad hoorde ex-wethouder (nu vicepremier) Asscher over falende financiële diensten destijds in de stad. Hij kon zich aantal zaken niet herinneren.

Als wethouder richtte Asscher zich op de kwaliteit van onderwijs en het bestrijden van misstanden op de Wallen. FOTO Olivier Middendorp

Was dit nu het verhoor waar Lodewijk Asscher zich zorgen over had gemaakt? Waarvan hij vreesde dat het hem zou beschadigen als bestuurder? Wat, zoals in zijn kringen wel is geopperd, misschien wel de opzet was van D66. Als de commissie uit de Amsterdamse gemeenteraad, die onderzoek doet naar het reilen en zeilen van de financiële organisatie, de huidige vicepremier had moeten roosteren, dan was het vrijdag wel op een heel zacht vuurtje.

Asscher kreeg een paar hardnekkige vragen over de tijd en aandacht die hij als wethouder aan de dienst financiën had besteed. Hij moest meer dan vijftien keer zeggen dat hij zich iets niet meer kon herinneren. Hij moest toegeven dat hij „kennelijk niet had gestuurd” op het afgeven van „bedrijfsvoeringsverklaringen” door de verschillende ambtelijke diensten.

Maar wie een smoking gun zocht voor de blunders die de afgelopen jaren door de hoofdstedelijke financiële diensten zijn gemaakt, heeft hem tijdens het openbare verhoor niet in de zak van Asscher aangetroffen. Het verhoor van de dominante PvdA-bestuurder tussen 2006 en 2012, de tijd dat de partij in de stad heerste, bracht vrijdagmiddag in het Amsterdamse stadhuis het grootste aantal belangstellenden tot nog toe op de been. Dit zou wel eens het verhoor kunnen zijn waar de raadsenquête om draaide. Minister Asscher zelf voelde dat kennelijk ook zo, want hij had, geholpen door zijn ambtenaren, gezwoegd op de voorbereiding voor dit verhoor.

Het ging ongeveer zo. Om de controle op de financiën te verbeteren, wilde het college van burgemeester en wethouders waar Asscher in zat, greep krijgen op het eilandenrijk van diensten en stadsdelen in Amsterdam. Daartoe werd onder meer besloten een „servicehuis financiën” op te zetten, waarmee al die ‘eilanden’ konden overleggen ter stroomlijning van hun verschillende administraties. Dat servicehuis was omarmd door verantwoordelijk wethouder Asscher.

Toch kwam het er niet. Een partijgenoot in de gemeenteraad diende een amendement in om het geld dat voor dat servicehuis was gereserveerd, aan andere zaken te besteden. „Zonde van het miljoen dat al is uitgegeven”, zei Asscher, maar goed: „De raad beslist over het geld.”

„Wat deed u om het servicehuis toch door te laten gaan”, vroeg commissievoorzitter Marijke Shahsavari vrijdag aan Asscher.

Asscher: „Ik denk dat dit besluit ook uit achterdocht voortkwam, dat het bestuur toch weer te veel macht naar het stadhuis probeerde te brengen. Er zat in de raad altijd weerstand tegen extra geld voor ambtenaren.” Kennelijk was het op dat moment belangrijker om het geld aan iets anders te besteden, zei Asscher. „En daar gaat de raad over.”

Of hij had overlegd met zijn partijgenoot? Dat wist Asscher niet meer. „Het ging regelmatig zo dat de fractie haar eigen plan trok.”

Weet u waar het geld naar toe is gegaan, vroeg Shasavari. En ze somde fijntjes een rijtje hobbyprojecten op: Proeftuin Amsterdam, de 1001 Smaken Markt, een project voor buiten Amsterdam gedetineerde vrouwen, een cultureel festival, en zo nog wat.

Ja, zei Asscher, „de raad maakte in die tijd nog zijn eigen keuzes.”

„Heeft u ervoor gevochten om het te voorkomen”, vroeg Shahsavari. „Dat weet ik niet meer”, zei Asscher. „Ik heb niet met aftreden gedreigd.”

Dit is wat team-Asscher vooraf vreesde: dat de commissie weliswaar geen concrete fouten zou aantreffen in zijn periode als wethouder, maar dat ze in het verhoor een beeld zou oproepen van een in de financiële organisatie niet geïnteresseerde bestuurder. Er werd een directeur van de belastingdienst aangehaald die zei dat hij de wethouder nooit sprak, hooguit diens politiek assistent.

Een van de commissieleden vatte samen: „Aan de positieve kant staat dat u bijzonder scherp, snel en betrokken was. Aan de negatieve kant dat u minder belangstelling had voor de afdeling financiën.” Asscher gaf geen krimp: „Misschien was ik niet fysiek aanwezig in vergaderuren. Ik was wel altijd bereikbaar.”

Dit was zijn simpelste uitspraak: „De jaarrekeningen waren sluitend en zijn door de accountant goedgekeurd. De stad is financieel gezond uit de crisis gekomen.” In de omgeving van de minister zei iemand het zo: „Het wordt gebracht als een whodunnit, maar er ligt geen lijk.”