Vaders, zonen en dominees

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft zijn eerste indruk.

Lion Feuchtwanger (1884-1958), een in het interbellum immens succesvolle Joods-Duitse schrijver, verdient het niet ten prooi te vallen aan de vergetelheid, integendeel: zijn spannend geschreven romans hebben niets aan actueel belang ingeboet. De populariteit van Feuchtwangers toegankelijk geschreven werk leverde hem het verwijt op dat hij te weinig diepgang had. Maar dat verwijt past niet bij de vooruitziende blik waarmee hij in De erven Oppermann [1] de opkomst van de nazi’s beschrijft. Hij wist dat wat begon als duivelspact tussen een reactionaire elite en het egoïstisch vulgus, ermee moest eindigen ‘dat alle joden en marxisten als kalveren afgeslacht’ zouden worden. De Joodse meubelfabrikant Gustav Oppermann probeert zich eerst nog stukje bij beetje aan te passen aan de politieke verschuivingen en anti-Joodse pesterijen. Het gaat van kwaad tot erger en in 1933 wachten het concentratiekamp Moosach en de wanhopige vlucht. Nog in datzelfde jaar publiceerde Feuchtwanger Die Geschwister Oppermann, waarvan nu, niets te vroeg, een nieuw bewerkte Nederlandse vertaling is verschenen. In dat jaar ook werden zijn boeken in Duitsland verboden en nam hij de wijk om nooit meer naar zijn land terug te keren.

De gelauwerde Duitse toneelschrijver, romancier en essayist Botho Strauss (1944) groeide op in de Bondsrepubliek als zoon van een conservatieve pacifist, die wegens zijn in de Eerste Wereldoorlog opgelopen verwondingen door de nazi’s met rust werd gelaten. In het kort voor zijn zeventigste verjaardag verschenen Herkunft (Herkomst) [2] combineert Botho Strauss een liefdevol portret van de man die hem grootbracht en de basis legde voor zijn schrijverschap met zijn eigen jeugdherinneringen. Het leven van de vader werd getekend door oorlog, dat van de zoon door het ontbreken ervan: ‘Ik heb meer dan twee generaties lang vrede meegemaakt. Het is waarschijnlijk moeilijk voor te stellen dat het voorgoed zo doorgaat.’ Stilistisch en inhoudelijk zijn deze gedetailleerde, hypersensitieve memoires, die óók het proces van herinneren tot onderwerp hebben, een soort Proust in zakformaat. Botho Strauss roept de verloren tijd op in een bescheiden novelle die – zeker voor een representant van het postmodernisme – bijzonder toegankelijk geschreven is. Inspirerende literatuur voor (auto)biografen en iedereen die oud genoeg is voor herinneringen.

Ook de twintig vijftigers die Cornald Maas interviewde voor zijn gebundelde Volkskrant-serie Over de helft [3] zetten jeugdherinneringen in om de balans van hun leven op te maken. De verhalen van Alexander Pechtold, Jort Kelder, Lilianne Ploumen, Emile Roemer, Caroline Tensen en andere meer of minder bekende Nederlanders over hun herkomst zijn het boeiendste dat de overigens weinig onthullende bundel te bieden heeft. Op zijn eigen vraag ‘Is vijftig het nieuwe veertig?’ blijft Cornald Maas in de inleiding het antwoord schuldig. Maar afgaande op zijn gesprekspartners die al bezig zijn hun bejaardenhuis te regelen, is vijftig het oude tachtig. Linda de Mol (1964) wil ‘een luxe bejaardensegment’ maken van haar huis, waar dan ook al haar vriendinnen komen wonen. ‘Het gaat er toch om wie straks jouw rolstoeltje duwt.’ Frits Wester (1962) droomt ervan om met zijn beste vrienden samen in een huis te wonen ‘met een eigen verpleegster en een eigen tuinman’. Zo ver is actrice Carine Crutzen (1961) nog niet. Wel lijdt ze er onder dat ze sinds haar vijftigste ‘definitief geen oudere jongere meer’ is.

Filosoof Hans Achterhuis en letterkundige Maarten van Buuren leveren in Erfenis zonder testament [4] commentaar op de historische context en de actuele betekenis van de tien geboden. Daaraan voegen zij veelal een persoonlijke ervaring of overweging toe, wat een modieuze en overbodige indruk maakt. Daar hebben we immers columnisten en dominees voor. Het interessantst zijn de confrontaties van de archaïsche teksten uit de zevende eeuw voor Christus met de opvattingen van filosofen als Spinoza, Nietzsche, Arendt en Althusser die de aloude voorschriften in perspectief plaatsen.

Met name als commentaar bij de geboden van de eerste tafel (I-IV over de verhouding tussen mensen en God) werkt dit verhelderend, maar de overwegingen bij de voorschriften over het menselijk gedrag (V-X) liggen ondanks een beroep op denkers als John Locke, Francis Fukuyama en Max Weber nogal voor de hand. Volgens Achterhuis en Van Buuren staat het wel vast dat de tien geboden niet kunnen worden gehandhaafd als richtsnoer voor het handelen van de mens van nu. Dit doet uiteraard niets af aan het feit dat het hier gaat om een grondtekst van de westerse cultuur.