Te vroeg

Om vier minuten over half tien belde hij aan. Ik had meteen al een hekel aan hem. Niet alleen omdat hij het in zijn hoofd haalde zesentwintig minuten te vroeg te komen – te vroeg komen vind ik persoonlijk misdadiger dan te laat – maar ook omdat zijn aanbelstijl hard, lang en uiterst irritant was. TRING! TRIIIIIIIIING! TRING!! – stilte – Tring tring. De twee beschaafde tringetjes aan het eind verbaasden me. Hij had met dat laatste setje prima kunnen volstaan. Hij was zich daar ongetwijfeld bewust van geweest, maar had er toch met overtuiging voor gekozen om mijn leven en gehoorgangen binnen te walsen op een gillende monstertruck met scheermessen op de banden.

Evengoed veinsde ik vriendelijkheid toen ik hem door de intercom een goedemorgen wenste en hem – het shot adrenaline dat mijn hart deed racen negerend – mededeelde dat hij te vroeg was, en ik graag aan de afgesproken tijd wilde vasthouden.

„Prima, blijf ik hier even wachten”, zei hij. Hij bleef hier even wachten, tss! Hij drong míj een schuldgevoel op, terwijl híj zich niet aan de regels hield! Ik stond nog te stofzuigen toen hij aanbelde, en had deze bezigheid fysiek prima kunnen staken, ware het niet dat ik zoiets psychisch niet aankan wanneer ik eenmaal een mentaal schema uitgewerkt heb. Ik maak nooit schema’s, of nou, pas op het laatste moment. Onder tijdsdruk. Dan is er plots een schema nodig en alles wat daarop staat MOET dan in die volgorde, binnen strakke kaders afgewerkt worden.

Zonder tijdsdruk gebeurt er niets. Zonder tijdsdruk lag ik nog in bed de voetzolen van mijn kat te bekijken. (Wanneer je op het middelste kussentje in gedachten een gezichtje tekent, dan wordt de voetzool van een kat een kleine teddybeer.)

Deze meneer stond vandaag ingeroosterd omdat er vanmiddag gasten komen. Hij kwam namelijk de spoelbak van de wc maken. Daar had ik een paar maanden geleden trots een groot aantal essentiële onderdelen vanaf gesloopt, een krater in de muur achterlatend, omdat hij maar bleef doorlopen. Daar was hij mee gestopt, maar doortrekken kon alleen nog als je je hand in de muur durfde te steken om naar een kort stukje hendel te zoeken en daaraan te trekken.

Om stipt tien uur stond de man uiteindelijk in mijn badkamer. Hij was eigenlijk best aardig. Een kopje koffie lustte hij wel, met suiker. Ik ging het zetten, maar daar was de man alweer. Hij was al klaar. „Een fijne verjaardag nog.” Knikte hij naar een armetierige slinger. Hij had me door. „Dankuwel.”