Rubberboot in de maalstroom

Alain Bombard enJacques Palmer aan boord van de rubberboot waarmee ze in mei 1952 de Middellandse Zee bevoeren. Foto AFP

In 1952 trok de mensheid voor het eerst per rubberboot de Middellandse Zee op. In mei voer de Franse medicus Alain Bombard van Monaco naar Menorca in een open canot pneumatique van nog geen vijf meter. Een Zodiac met een zeiltje, maar geen motor. Bombard wilde bewijzen dat je van de zee kon leven en het beviel hem zo goed dat-ie hetzelfde jaar nog in dezelfde rubberboot de Atlantische Oceaan overstak.

Dus hoe gevaarlijk zijn de hedendaagse tochten in open bootjes van Turkije naar Griekenland? Het is een vraag die je in een tijd van compassie-journalistiek nauwelijks durft te stellen, ook al is hij bedoeld als een poging tot inleving: zou ik zelf in een open rubberboot durven oversteken van Turkije naar Kos of Lesbos? Hoe eng is de Egeïsche Zee?

Bedenk dat Kos maar 5 kilometer van Bodrum ligt. Wie met goed weer uit Bodrum vertrekt weet zeker dat hij anderhalf uur later met goed weer bij Kos aankomt. Vanuit Bodrum zie je Kos liggen, tussen Bodrum en Kos zijn geen klippen of ondiepten en het water is er warm: ’s zomers wel 26 graden. Bedenk ook dat er nauwelijks getijstromen zijn, want in de Middellandse Zee bestaan geen grote tijverschillen.

Dit alles ter versterking van het voorstellingsvermogen en niet om af te dingen op de angsten en risico’s van de mensen die zich werkelijk in Bodrum inschepen en moeten plaatsnemen in overvolle, gammele bootjes met onbetrouwbare motoren. En die misschien wèl bij harde wind vertrekken. En niet zwemmen kunnen.

Je stelt vast: in een behoorlijke rubberboot en bij goed weer kan de oversteek van Bodrum naar Kos een pleziertochtje zijn. En dan is de vraag of het overal elders in de Egeïsche Zee net zo kalmpjes toegaat. Dat blijkt niet het geval. Wie googelt met de termen ‘tidal streams’ en ‘Aegean sea’ belandt bijna direct in beschouwingen over de verraderlijke stromingen in de beroemde Straat van Euripus tussen Euboea en het Griekse vasteland, niet ver van Athene. Soms kolkt het water daar met 12 kilometer per uur voorbij. Daar valt niet tegenin te zwemmen of te peddelen. Zelfs kleine motorbootjes kunnen er in het nauw raken. Maar het is een zeldzame uitzondering. Zolang het niet waait heb je aan de Egeïsche Zee geen kind.

Aristoteles was de eerste die een verklaring vond voor de stroming van Euripus, vertelde Google, en weldra verschenen ook Scylla en Charybdis op het scherm. Charybdis was een ‘maelstrom’-achtige draaikolk in de straat van Messina waar Odysseus maar ternauwernood aan wist te ontsnappen. Aldus Homerus. Ook vandaag ontwikkelen zich bij Messina nog gevaarlijke tijstromen (tot 7 km/u), maar niet van die rare draaikolken zoals je op plaatjes ziet, met zo’n slurf naar de diepte. Die waren er nooit, ze komen in de natuur nauwelijks voor, je ziet ze alleen in beekjes, achter de bladen van roeispanen en bij het leeglopen van de schutsluis, het bad of de wastafel. Plughole vortices.

De waterwervelingen (‘neren’) bij de kribben van Nederlandse rivieren als de Waal, waar Rijkswaterstaat geregeld voor waarschuwt, zouden in het Engels eerder ‘eddies’ genoemd worden. Eddies ontstaan op plaatsen waar waterstromen worden afgeremd door obstakels of waar ze andere stromen ontmoeten. Eerder dit jaar kwamen de wervelingen in deze krant uitgebreid ter sprake en daarbij zijn dingen gezegd die misschien niet waar zijn. ’t Gaat om de vraag of die ‘horizontal eddies’ in staat zijn een zwemmer de diepte in te trekken. Sommigen denken dat dat kan.

Dat er in waterwervelingen ook altijd verticaal watertransport optreedt staat vast. Je ziet het ook aan het kopje thee waarin flink geroerd wordt. Bij het uitdraaien van de vloeistof komen de theeblaadjes in het centrum omhoog en langs de wand van het kopje zakken ze terug naar beneden. Draaiende thee in theekopjes is bij lange na geen goed model voor alle waterwervelingen, maar voor de ‘draaikolken’ (om ze toch eens zo te noemen) in rivieren voldoet het. Het gevaar schuilt dus in de omtrek van de draaikolk. Daar kan een zwemmer naar beneden worden getrokken. Maar zou het echt voorkomen?

Aardig genoeg valt er wel wat te reken aan de kwestie. Het drijfvermogen (de buoyancy) van een volwassen persoon die zijn longen vol lucht houdt en in zoet water verkeert is ongeveer 0,5 kilo. Het is de kracht die nodig is om hem volkomen onder water te trekken, formeel op te geven als 5 newton. Het is af te leiden uit informatie over massa en volume van mensenlichamen. Elke sportduiker weet het.

Hoe groot is de waterstroming die een kracht van 5 newton op een zwemmer uitoefent? Dat is een paar jaar geleden vastgesteld in elegant onderzoek van Joost-Wim Boekesteijn en Jim Portegies van de Christelijke Scholengemeenschap Walcheren. Zij trokken 16 verschillende zwemmers aan een lange kabel en met oplopende snelheden door het water en maten steeds de trekkracht in de kabel. De waterweerstand van 5 newton ontstond pas bij een sleepsnelheid van ongeveer 0,5 m/s, dus 2 km/u. Dat is dus ook de sterkte van de vertikale stroming die een zwemmer onder water kan trekken. De kwestie is nu teruggebracht tot de vraag of er zó’n sterke downdraft in de Waal optreedt. Wij van AW weten het nog zo net niet.