Onze natuur moeten we als een tuintje zien

De mens is machtig. Maar we willen het niet altijd weten. En dus doen biologen en waterschapsingenieurs vreselijk veel moeite om een landschap als de Noard-Fryslân Bûtendyks zo natuurlijk mogelijk te maken. Hester van Santen beschrijft verderop in deze bijlage de bestuurlijke en biologische avonturen die ontstonden bij deze ‘natuurontwikkeling’. De natuurwaarden zijn ‘redelijk succesvol’ gehaald, oordeelt voorzichtig een van de biologen die de nieuwe mooie grote kwelder in de gaten houdt. Maar er zijn toch niet de natuurlijke evenwichten waarop gehoopt is en zijn er wel genoeg vogels?

De vraag is of we het oude onderscheid tussen natuur en cultuur hier nog wel moeten bewaren. Wij mensen kiezen hier welke ‘natuur’ de juiste is. En gaan als biological engineers tweaken en testen hoe dat resultaat bereikt kan worden. Meer vee. Of toch minder. Ander vee misschien? Het zijn fascinerende verhalen. Elders in het land proberen biologische boeren op hun eigen natuurlijke manier weer land te bebouwen, met weer andere opbrengsten. Ook in het belang van de natuurlijkheid.

Laten we het toch gewoon geen natuur noemen, maar een tuin. Zoals Engelse landschapsarchitecten in de achttiende en negentiende eeuw op hun manier grote tuinen bouwden. Dat vonden ze toen mooi. Wij zien graag wilde tuinen, en iedere tuinier weet dat dat geen makkelijk onderhoud is. Voor je het weet krijg je echte verwildering.

De debatten lijken soms een beetje op de discussies over de speelwijze van barokmuziek die decennialang op het scherp van de snede werd gevoerd. Wie zijn strijkstok te strak opdraaide, speelde niet op de echte authentieke wijze. Die tijd is nu ook weer voorbij, ‘authenticiteit’ is ook maar een moderne stijl. De kwelders moeten nu maar onze moderne tuin worden.