Nederlanders slaan elkaar op de schouder. Zwitsers niet.

Rond de twintig grote buitenlandse ondernemingen hebben een Nederlandse baas. Tien van hen portretteren we de komende maanden. Wie zijn ze? Waarom zitten zij op die plek? Deze week Tom de Swaan, bestuursvoorzitter van de Zwitserse verzekeraar Zurich.

 

Tom de Swaan: „Ik mis het nog steeds dat ik van huis uit niets over het jodendom heb meegekregen.”

Eén grote ovale tafel, gedekt voor twee. Tom de Swaan (69) komt gehaast binnen en kijkt in de menukaart die de serveerster hem aanreikt. Sla en een stukje vis, meer neemt hij nooit bij de lunch. We zijn in het verder lege bedrijfsrestaurant van verzekeringsmaatschappij Zurich in Zürich. De Swaan is de voorzitter van het bestuur.

U komt net aan uit Nederland?

„Tien minuten geleden.”

Geen appartement in Zürich?

„Nee, want ik zie er tegenop om ’s avonds laat zelf het licht aan te doen en ’s morgens zelf ontbijt te maken, dus woon ik in een hotel. Altijd in hetzelfde hotel, twee nachten per week, soms drie. Mijn kleren laat ik daar, ik reis zonder bagage.”

Uw ouders vluchtten voor de oorlog uit Duitsland naar Nederland.

„In januari 1934. Mijn vader was in de jaren twintig voor het bedrijf van zijn vader naar Hamburg gegaan. Ze handelden in jute zakken. In Hamburg leerde hij mijn moeder kennen. Door haar huwelijk werd ze Nederlandse, en daardoor konden ze na de machtovername door Hitler naar Amsterdam verhuizen, met mijn oudste zus en mijn oudste broer.”

Uw moeder was ook Joods?

„Joods geworden, in 1928. Orthodox joods. Mijn vader was zeer orthodox, tot midden jaren dertig. Toen werden ze links, communistisch. Het was een manier om je te verzetten tegen de opkomst van het nazisme. Mijn vader zou denk ik wel weer geloviger zijn geworden, als hij tijd van leven had gehad. Maar mijn moeder is haar hele leven links gebleven.”

Net als u.

Hij lacht. „Ik heb weleens op GroenLinks gestemd, ja.”

Voor de Duitse rassenwet was uw moeder...

„Arisch, ja. Ze hoefde niet onder te duiken. Mijn vader werkte bij de Joodse Raad, tot eind 1943. Toen is hij ondergedoken bij de familie Bogaard in de Watergraafsmeer. In 1944 is mijn broertje geboren, maar dat was niet de bedoeling.”

U bent van na de oorlog.

„Een bevrijdingskindje. Ik ben acht maanden en 28 dagen na 5 mei 1945 geboren. Mijn ouders vernoemden me naar de Canadezen: Tommy.”

En het bedrijf?

„Dat heeft mijn vader na de oorlog teruggekregen, samen met zijn broers – het waren er zes. Het liep goed, onder andere door de Watersnoodramp van 1953, al klink dat wat raar. Om de dijken te dichten waren veel jute zandzakken nodig. In 1957 kwam de kentering. Twee broers die in het bedrijf zaten, kwamen om bij een vliegtuigongeluk. Drie maanden later overleed mijn vader aan een hartinfarct. Voor die tijd was de familie De Swaan financieel onafhankelijk, we leidden een beschermd leven. Al die zekerheden waren weg toen het bedrijf geen leiding meer had. Mijn oudste broer nam het over maar het duurde even voordat er weer geld werd verdiend. Ik heb eraan overgehouden dat ik altijd financiële zekerheid wil hebben.”

Werd er bij u thuis over de oorlog gesproken?

„Nooit. In mijn studententijd werkte ik bij een stichting die erfgenamen van vermoorde Joden opspoorde en daardoor wist ik dat er zestig of zeventig leden van de familie De Swaan waren omgekomen. Tot 4 mei 2005 waren er neven en nichten die daar geen idee van hadden. Toen werden voor het eerst de namen van alle vermoorde Joden op de radio voorgelezen.”

In uw studententijd was u zionist.

„Na mijn eindexamen in 1965 ben ik meegeweest op een kennismakingsreis door Israël, georganiseerd door de Israëlische regering. We werden natuurlijk op fantastische wijze geïndoctrineerd. Tijdens die reis heb ik mijn vrouw leren kennen en in 1971, we waren net getrouwd, hebben we overwogen in Israël te gaan wonen. Israël was een zeer progressief land, er heerste echt een pioniersgeest, heel bijzonder. We hebben het niet gedaan omdat er geen scheiding is tussen kerk en staat. En we waren toen al van mening dat Israël de bezette gebieden moest teruggeven, desnoods unilateral.”

Waarom koos u voor de studie economie?

„Liever was ik geschiedenis gaan studeren, maar dan had ik gymnasium moeten doen, en het toelatingsexamen voor het gymnasium was een week na mijn vaders dood. Zo werd het hbs.”

Was het de bedoeling dat u in het familiebedrijf zou gaan werken?

„Beslist niet. Ik heb al vroeg gekozen voor monetaire economie, en daarbinnen voor internationale economische betrekkingen en geldtheorie, uitermate boeiend, maar nauwelijks nuttig als je het bedrijfsleven in wilt. Zo ben ik bij De Nederlandsche Bank gekomen. Toen ik afstudeerde...”

Cum laude?

„...cum laude ja, zei een van mijn hoogleraren dat ik daar óf binnen drie maanden gillend weg zou lopen óf voor de rest van mijn leven zou blijven. De eerste drie maanden had ik het zwaar. Het was er waanzinnig bureaucratisch en hiërarchisch. Ik had het geluk dat in die tijd, begin jaren zeventig, het Bretton Woodssysteem instortte, het stelsel van vaste wisselkoersen. Dat leidde ertoe dat we onze dollars in Amerika moesten gaan beleggen, ze waren niet meer inwisselbaar voor goud. Dat had nog nooit iemand bij de bank gedaan. Ik werd naar Amerika gestuurd om te kijken wat de mogelijkheden waren. Ze dachten dat ik daar door mijn achtergrond wel geschikt voor was.”

Was u een buitenstaander bij de bank?

„Het was absoluut de elite die daar werkte, Nederlands Hervormde elite, doopsgezind eigenlijk, telgen uit de negentiende-eeuwse families die het Concertgebouw nog hadden opgericht, en ik was de eerste Jood. Maar ik heb daar geloof ik nooit enige hinder van ondervonden.”

Bent u religieus?

„Een one million dollar question.” Hij lacht. „Laat ik het zo zeggen, ik mis het nog steeds dat ik van huis uit niets over het jodendom heb meegekregen. Op een gegeven moment, midden jaren tachtig, ben ik daar iets aan gaan doen. Joodse les. Hebreeuws leren. Mijn vrouw is Hebreeuws gaan studeren. Ik ben gaan lernen ja, dat heb ik een jaar of vijftien gedaan.”

Intussen bracht u het tot directeur toezicht bij De Nederlandsche Bank.

„In 1992. In 1985 was ik in de directie benoemd, op mijn 39ste. Voor bankbegrippen heel jong. Uitermate boeiend werk, ik kon me internationaal in het toezicht manifesteren en de banden met het bedrijfsleven versterken. De bank was een fantastische leerschool. Het is een bedrijf met heel hoge normen en waarden, ondenkbaar dat je iets deed dat afweek van wat de standaard voor integriteit was.” 

De Nederlandsche Bank omstreeks 1992. v.l.n.r: Jaap Koning, Wim Duisenberg, Nout Wellink en Tom de Swaan. Foto Miedema

U werd toezichthouder in een periode waarin iedereen ging beleggen, gestimuleerd door de overheid.

„Liberalisering, vrij verkeer van goederen en diensten, en later ook van personen, dat stond allemaal hoog in het vaandel. Het idee was dat meer marktwerking de welvaart zou bevorderen, wat ook zo was. Ik heb in Europees verband meegewerkt aan nieuwe richtlijnen en regels, waardoor banken grensoverschrijdend hun diensten konden aanbieden en grensoverschrijdende overnames mogelijk werden.”

In 1998 ging u naar ABN Amro. Hoe ging dat?

„Laat ik zeggen: ik werd benaderd. Het begon ermee dat Wim Duisenberg [toen president van DNB] in 1997 naar Frankfurt ging [om de eerste president van de Europese Centrale Bank te worden]. Nout Wellink volgde hem op, en ik wist dat ik hem nooit zou kunnen opvolgen, want alle presidenten van De Nederlandsche Bank hadden zeer goede connecties in Den Haag, en die had ik niet. Nout zei dat ik misschien moest gaan nadenken over iets anders.”

En toen?

„Nou ja, ik was op wintersport en mijn secretaresse belde me ’s morgens om te zeggen dat de heer Kalff een afspraak met me wilde maken. [Jan Kalff was de voorzitter van de raad van bestuur van ABN Amro.] Dat was niet ongebruikelijk, we spraken elkaar regelmatig, maar na dit gesprek zei hij: ik wil eigenlijk nog één ding persoonlijk aan je vragen. Zou je willen overwegen om over te stappen?”

Vond u het gek?

„Heel gek. Kalff zei dat hij met het oog op toekomstige overnames een cfo [chief financial officer] zocht die verstand had van bankbalansen en goeie contacten had met internationale toezichthouders. Daarvoor had hij mij in gedachten.” 

ABN Amro-topman Rijkman Groenink (r) en financieel directeur Tom de Swaan presenteren de halfjaarcijfers van ABN Amro in 2004. Foto ANP / Robin Utrecht

De kranten schreven dat u voor het grote geld ging.”

„Ik ging meer verdienen, ja. Maar niet het tienvoudige. Niet eens het tweevoudige. De enorme stijgingen zijn pas begonnen in 2003, vooral omdat de prestatiegerelateerde beloningen zo’n vlucht namen.”

Wat toen een goed idee werd gevonden.

„Vinden ze hier bij Zurich nog steeds.”

Wat vindt u daarvan?

„Ambivalent. Het is goed als bestuurders een sterke band met een bedrijf hebben, maar zelf heb ik nooit voor het geld gewerkt. Ik doe het omdat ik het leuk vind. Ik heb ook nooit gezegd: laten we deze transactie doen, want dan gaat de koers omhoog en verdienen we allemaal.”

En anderen?

„Op de werkvloer gebeurt dat natuurlijk wel, ja.”

Na de lunch vraag ik of hij ooit bij een psychiater is geweest om de lotgevallen van zijn familie te verwerken. Hij lacht en zegt: „Ik ben de enige van het gezin die niet in analyse is geweest, maar sinds mijn 61ste praat ik wel eens met een aardige vrouw in Amstelveen die goed kan luisteren. Een gestalttherapeute.”

Wat gebeurde er op uw 61ste?

„Nou ja, ik had altijd een stabiel leven gehad – mijn kinderen deden het heel goed en de relatie met mijn vrouw was heel goed – maar toen ging ik weg bij ABN Amro, een nieuwe fase in mijn leven, en de situatie rond mijn vrouw… Eind jaren zeventig kreeg ze de diagnose MS, en daar konden we goed mee omgaan, maar daar kwam early dementia bij. Sinds een jaar of acht is ze fysiek geheel invalide en sinds een jaar of twee praat ze bijna niet meer. Ze herkent me nog wel, dat zie ik aan haar ogen. Wat het complex maakt, is dat ik sinds een jaar of vijf een nieuwe partner heb. Mijn vrouw heeft altijd gezegd dat ik door moest gaan met mijn leven, maar het is niet gemakkelijk.”

Een paar dagen later praten we verder bij hem thuis in Amsterdam-Zuid. Zijn vrouw heeft er een eigen etage, waar ze fulltime wordt verpleegd. Ik vraag hoe hij het vond om met pensioen te gaan. Hij zegt: „Ik heb het geluk gehad dat ik al vrij snel een redelijk grote portefeuille aan board memberships had, dus de overgang was gemakkelijk. Geen tijd om te bedenken hoe leuk het vroeger allemaal was.”

U had kunnen denken: ik hoef niet meer.

„De kans dat je in dit soort posities mensen vindt die dat zeggen is erg beperkt. Als ze zo denken, zouden ze nooit in die positie zijn terechtgekomen. Even heel oprecht, hè. Er zijn wel mensen die zeggen dat ze het heerlijk vinden om geen verantwoordelijkheden meer te hebben, maar toch vrij ondiep in hun hart denken: waarom word ik niet gevraagd? Dat is mij bespaard gebleven.”

Doet het er voor Zurich toe dat u Nederlander bent?

„Bij de Zwitsers hebben Nederlanders wel een streepje voor, voornamelijk omdat we dezelfde grote buurman hebben, die altijd alles overheerst. Verder is Zurich zo internationaal dat nationaliteit er niet meer toe doet. Ik merk wel dat de Nederlandse bedrijfscultuur anders is, familiair. Men spreekt elkaar met de voornaam aan en slaat elkaar op de schouders. Dat gebeurt in Zwitserland beslist niet. Zolang de voertaal Engels is, noemen we elkaar bij de voornaam, zodra er Duits wordt gesproken, is het Herr Doktor.”

Hoe is uw Duits?

„Vloeiend, en niet omdat mijn moeder Duitse was. Na de inval in 1940 besloten mijn ouders nooit meer Duits te spreken. Ik heb Duits geleerd in de Zwitserse kinderkampen waar ik ’s zomers naartoe ging en op school. Bij mijn eindexamen kreeg ik een boek van de Duitse ambassade omdat ik het hoogste cijfer had gehaald. Er ging een geloei op in de zaal. Ik zou overigens nooit een Duits commissariaat aanvaard hebben, ook al omdat de Duitse governance me niet aanstaat. De relatie met het management is zeer afstandelijk, en ik ben iemand die zich graag met dingen bemoeit. Bij Zurich werd ik voorzitter van het risk committee. Bij een financiële instelling is dat een sleutelpositie.”

U heeft daar de crisis van 2008 meegemaakt.

„Zurich had het geluk, tussen aanhalingstekens, dat het in 2002 en 2003 al een enorme crisis had doorgemaakt. Dat leidde tot een grondige sanering. In 2008 was de balans van Zurich uitermate schoon.”  

 2009: De adviescommissie toekomst banken presenteert in 2009 in perscentrum Nieuwspoort in Den Haag het rapport over de kredietcrisis. Tweede van links: Tom de Swaan.

U was er ook bij toen Josef Ackermann gevraagd werd om voorzitter te worden, de als bullebak bekendstaande voorzitter van de Deutsche Bank.

„Ik zat in de benoemingscommissie, ja.”

Vond u het een goed idee?

„Zeker. Hij had een grote naam, geen misverstand daarover. En hij had een groot netwerk, ook in de politiek. Een zeer aanzienlijk persoon in Zwitserland.”

Maar het liep niet goed af.

Hij lacht en vraagt of ik een droptoffee wil. „Ze zijn heel lekker.”

Wat veranderde er toen hij aantrad?

„Hij was iemand die heel duidelijk zijn stempel op het bedrijf wilde drukken en zijn oordelen over het bedrijf niet wilde laten bepalen door het management. Ik vond het geen verstandige route. Het leidde tot verwijdering tussen hem en de ceo.”

En tot de zelfmoord van de cfo, Pierre Wauthier.

„Nee hoor. Nee, nee. Absoluut niet. Er is geen enkele indicatie dat de zelfmoord van Pierre Wauthier te maken had met de relatie tussen hem en de chairman. Ik heb dat persoonlijk uitgezocht.”

In zijn afscheidsbrief schreef hij dat het werkklimaat onder Ackermann ondraaglijk was geworden.

„Toen die brief werd gevonden, op dinsdag 27 augustus 2013, ben ik onmiddellijk vanuit Israël naar Zürich gevlogen om te onderzoeken wat er tussen hem en Ackermann gebeurd kon zijn. Ze bleken elkaar in een jaar tijd drie keer gesproken te hebben, altijd in bijzijn van anderen, en er was nooit enig blijk geweest van antagonisme. We hebben daarna ook door een advocatenfirma en onze externe accountant laten onderzoeken of er iets was dat de zelfmoord van de man in verband kon brengen met het bedrijf of met Ackermann. Nee dus.”

Vervolgens trok Ackermann zich terug als voorzitter.

„Ja.”

Was dat zijn eigen besluit?

„Zonder twijfel. Het kwam volkomen uit de lucht vallen. Woensdagavond hadden we een telefonische vergadering, Ackermann en ik waren de enige twee die in Zürich waren. We aten eerst samen een hapje, daarna begon de meeting. Toen zei hij opeens: I have decided to step down with immediate effect. Hij pakte zijn spullen en liep de kamer uit. Het perscommuniqué had hij al laten maken door een persman die bij hem in dienst was. Diezelfde week is hij ook bij Siemens weggegaan. En drie maanden later bij Shell.”

Vervolgens werd u de voorzitter.

„Ik was al acting geworden op het moment dat Ackermann aftrad, en twee dagen later vroegen de andere board members of ik permanent voorzitter wilde worden. Heel leuk. Echt heel leuk. Iedereen wilde de periode Ackermann zo snel mogelijk vergeten. Een van de moeilijkste dingen was het opnieuw opbouwen van de vertrouwensrelatie met de ceo. Dat gaat nu goed. Dat mag ook wel, want ik zit er al weer anderhalf jaar. In die tijd is de koers van het aandeel flink gestegen.”

U bent ondanks uw werk in het buitenland altijd in Amsterdam blijven wonen.

„De opera. De schouwburg. Het Concertgebouw. Ik voel me geen Nederlander, ik voel me Amsterdammer – al komen mijn ouders hier niet vandaan. Mijn ouders waren passanten, net als de ouders van Arnon Grunberg, hij heeft daar prachtig over geschreven. Uiteindelijk ben ik ook maar een passant. Zonder Hitler was ik een Duitser geweest.”

 Deze tien bazen portretteren we de komende maanden: