Luidsprekers

S. Montag

Niet ver van de plaats waar ik op dit Griekse eilandje woon is een school, voor kinderen van zes tot een jaar of vijftien. Een groot gebouw met een ruime speelplaats. Kwart voor negen gaat de bel en dan beginnen de lessen, net als vroeger in Rotterdam toen ik klein was.

Wat deden we toen voor schooltijd? Knikkeren, als het knikkertijd was. Krijgertje. Tik, jij bent hem. Voor verstoppertje was daar geen ruimte. Soms begonnen twee jongens te vechten, een soort geworstel waarbij ze probeerden elkaar eronder te krijgen, maar het zag er niet alarmerend uit. Er werden geen blauwe ogen geslagen.

Wat die kinderen op dat Griekse schoolplein doen weet ik niet maar ze maken een enorm lawaai. Als je goed luistert ontdek je na een poosje dat er een rangorde in het kabaal maken is. Twee schreeuwertjes vechten om de boventoon, terwijl de rest op de achtergrond een ordeloos lawaai handhaaft. Ze kunnen niet van elkaar winnen, en dan gaat de bel Binnen een minuut is het kabaal weggestorven. Het vruchtbare leren is weer begonnen.

Deze ochtend ging het heel anders. Geen geluiden van vrolijke kinderen, maar om half negen door een luidspreker de stem van een vrouw. Ze sprak hard, nadrukkelijk en onafgebroken. Als zo’n geluid een half uur heeft geduurd gaat het je al behoorlijk irriteren. Deze dame bleef tot een uur of twaalf aan het woord, onvermoeid. Af en toe werd ze onderbroken door gejuich of applaus. Waarschijnlijk iemand uit de politiek of van een vakbond.

Je zou denken dat een uur door de luidspreker oreren al lang genoeg is, dat de spreker en het publiek er dan praktisch bij neervallen. Misschien is dat de tegenwoordige Nederlandse werkelijkheid, maar het is weleens anders geweest. Hij kan praten als Brugman, zeggen we. Wie was Brugman? Een geestelijke uit de vijftiende eeuw, buitengewoon gelovig en menslievend, en terwijl hij zo godvruchtig bezig was bleef hij aan het woord.

In de vorige eeuw is Fidel Castro beroemd geworden door zijn lange redevoeringen, en in de jaren dertig en veertig hadden we de nazi’s. Redevoeringen van Hitler waren wereldevenementen omdat je eruit kon afleiden welke wending eerst de vrede en daarna de oorlog volgens hem zou nemen.

Het meest vileine oratorische talent was Joseph Goebbels. „Ich frage euch: Wollt ihr den totalen Krieg? Wollt ihr ihn, wenn nötig, totaler und radikaler, als wir ihn uns heute überhaupt erst vorstellen können?” En ten slotte: „Nun Volk steh’ auf und Sturm brich los!” Het kabaal kent geen grenzen meer.

Wat waren de nazi’s zonder luidsprekers geweest? De nazi’s hebben de luidspreker tot machtsmiddel gemaakt en daarna is het tot de normale apparatuur van de politiek, het vakbondswezen en de sport gaan horen.

Je kunt het je wel voorstellen. De menselijke stem reikt zonder hulpmiddelen niet verder dan misschien honderd meter. En dan sta je daar op een verhoging achter een microfoon, je zegt met diepe overtuiging „Morgen gaat de zon weer schijnen!” en die paar duizend mensen beneden je geloven je en roepen „Jaaaaa!”

De luidspreker is een uitnodiging tot, en een instrument van machtswellust. Ben je erdoor gegrepen dan kan je er niet genoeg van krijgen, zoals die vrouw op dat Griekse schoolplein bewees.

Maar in onze buurten raakt het apparaat uit de mode. Politici, vakbondsleiders hoor je geen meeslepende redevoeringen meer houden. Bondskanselier Merkel, president Hollande, Obama of Poetin terwijl ze een stadion vol aanhangers tot schuimende geestdrift brengen? De luidspreker uit de jaren dertig is ouderwets geworden. Wie nu in de politiek te hard en te lang praat, wordt door het volk een roeptoeter genoemd.