Vandaag verschijnt laatste deel uit Knausgårds 'Mijn Strijd'. Lees hier een voorpublicatie

NRC-journalist Kester Freriks koos zijn favoriete fragment uit Vrouw, het afsluitende deel van Karl Ove Knausgårds cyclus Mijn strijd. De scène speelt zich af tegen het einde van de roman. Linda is Knausgårds vrouw, Yngve is zijn broer. Kafkatrakterne en de Lemen zijn twee popbands. Knausgård speelde als drummer in Kafkatrakterne en ook Yngve is muzikant.

Het idee om mijn veertigste verjaardag te vieren was geen moment bij me opgekomen, het was absoluut niet aan de orde. Maar vroeg in de herfst het jaar daarvoor, dat wil zeggen in september 2008 bij Yngve in Voss op bezoek, waren Yngve en Linda er plotseling over begonnen. Toen de kinderen naar bed waren, zaten we ’s avonds op het terras, elk met een glas rode wijn in de hand. De hemel boven ons was inktzwart en duizelde van de sterren. De lucht was koud en helder.

‘We hadden het even over je veertigste verjaardag’, zei Linda en ze keek me in het flauwe schijnsel van de deur naar het terras aan.

‘O?’ zei ik.

‘Ja. We zijn tot de conclusie gekomen dat je een echt feest moet geven en het groots moet vieren.’

‘Iedereen uitnodigen die je kent’, zei Yngve. ‘Dan kunnen de Kafkatrakterne en de Lemen spelen, bijvoorbeeld.’

‘Maar dat is het laatste wat ik wil’, zei ik. ‘Dat is echt het ergste wat ik me kan voorstellen.’

‘Dat weten we’, zei Linda. ‘Maar je hebt je lang genoeg verstopt gehouden, toch?’

‘Wie moet ik dan uitnodigen?’

‘O, dat zijn er een heleboel’, zei Yngve. ‘Je kent veel meer mensen dan je denkt. Je moet gewoon even nadenken.’

‘Kan zijn’, zei ik terwijl ik naar Linda keek. ‘Maar als ik mocht kiezen, zou ik het het liefst alleen met jullie vieren, als een doodnormale verjaardag. Dat is toch leuk. Jullie komen al zingend met kaarsjes en cadeautjes binnen. Dat is feestelijk genoeg wat mij betreft.’

‘Dat is duidelijk’, zei Linda.

‘Maar het is niet voor jou’, zei Yngve. ‘Het is om iedereen die jou kent de kans te geven een feest ter ere van jou te vieren. En om überhaupt eens feest te vieren. Als je ruim op tijd uitnodigingen verstuurt zodat de mensen het kunnen plannen, een hotel en een vlucht en alles kunnen boeken, weet ik zeker dat iedereen komt. Ik heb er in elk geval hartstikke veel zin in.’

‘Daar twijfel ik niet aan’, zei ik met een glimlach. ‘Maar jij hebt je veertigste verjaardag zelf ook niet gevierd.’

‘En daar heb ik spijt van.’

‘Wat vind je ervan?’ vroeg Linda.

‘Nee’, zei ik.

Toch trok iets aan het voorstel me aan, het was waar wat Linda had gezegd, dat ik me lang genoeg had verstopt.

Waarom had ik dat gedaan?

Het was een manier om je te redden. In die vreselijke jaren als twintiger had ik geprobeerd deel te nemen aan het leven om me heen, aan het normale leven, dat wat iedereen leidde, maar het was me niet gelukt, en het gevoel van nederlaag en de glimpen van smaad waren zo sterk en zo intens dat ik langzamerhand, zelfs voor mezelf verborgen, mijn focus verplaatste, hem steeds meer op de literatuur richtte en wel op zo’n manier dat het niet de indruk wekte van een vlucht, alsof ik me schuilhield, maar dat het juist iets sterks en trots kreeg en voordat ik het wist mijn leven was geworden. Ik had verder niemand nodig, mijn leven achter de computer en met mijn gezin was voldoende, ja, meer dan voldoende. Ik trok me niet terug omdat ik problemen in sociale situaties had, het kwam doordat ik een groot schrijver was of zou worden. Dat loste al mijn problemen op en ik voelde me er lekker bij.

Maar als het klopte dat ik me verstopte, waar was ik dan bang voor?

Ik was bang voor het oordeel van de anderen en om dat te ontlopen, ontliep ik hen. Het idee dat iemand mij misschien mocht, was een bedreigende gedachte, misschien wel de meest bedreigende wat mij betrof. Ik dacht haar nooit bewust, dat durfde ik niet. Zelfs dat mama me eigenlijk wel moest mogen, dacht ik niet. Of Yngve, of Linda. Ik ging ervan uit dat ze me niet mochten, eigenlijk, maar dat de sociale en familiaire banden waarin we gevangenzaten, betekenden dat ze me toch moesten zien en moesten luisteren naar wat ik te zeggen had.

Was ik alleen voor mezelf verantwoordelijk geweest, dan had ik er geen gedachte aan vuilgemaakt. Ik redde me hoe dan ook wel. Maar ik had drie kinderen met Linda en ik wilde niet dat zij in een geïsoleerd thuis opgroeiden, wilde niet dat ze zouden denken dat je verstoppen een geschikte methode was om de wereld het hoofd te bieden. Het enige wat ik hun kon geven, was wat ik hun nu gaf en dat niet door wat ik zei, maar door wat ik deed.

Ik wilde dat ze onder de mensen leefden, ik wilde dat ze zelfstandige individuen werden zonder angst, in staat zich te ontplooien, dus binnen de onvrije grenzen van deze maatschappij zo vrij mogelijk te zijn. En het belangrijkste van alles, ik wilde dat ze zelfvertrouwen hadden, zichzelf mochten, zichzelf waren. Aan de andere kant bedacht ik dat ze de ouders hadden die ze hadden en dat wij onze eigen karakters niet wezenlijk konden veranderen, iets wat zowel idioot als rampzalig zou zijn: ouders hebben die zich anders voor deden dan ze waren zou nog meer ellende met zich meebrengen, dat was duidelijk. Waar het om ging waren onze voorwaarden. Die lagen vast, maar niet onherroepelijk. Mijn gedrag de eerste drie of vier jaar dat we kinderen hadden, toen mijn frustratie veel te vaak ten koste van hen ging, moest sporen hebben nagelaten in hun gevoel van eigenwaarde, het enige in hen wat je als ouders niet moest verzieken. Dat lag intussen achter me, dat gebeurde bijna nooit meer, we hadden nooit meer ruzie waar ze bij waren en ik verloor nooit mijn zelfbeheersing meer van woede, maar ik bad ongeveer elke dag een stil gebed dat het geen sporen had nagelaten, dat wat ik had gedaan niet onherstelbaar was. Ik stelde me hun gevoel van eigenwaarde voor als een strand, ik hád er weliswaar sporen achtergelaten, maar daarna kwam de zee, de zon scheen, de lucht was blauw en het water, dat zich zo fantastisch naar de omgeving vormde, bedekte alles, wiste alles uit, zilt en koel en heerlijk.

Lees volgende week op deze website en in NRC Boeken een interview met Karl Ove Knausgård.