‘Ik ben een blije infiltrator’

Hij was eerder verliefd op landschappen dan op meisjes, zegt designer Daan Roosegaarde bij een sliptongetje. Nu maakt hij van de Afsluitdijk een icoon – voor Melanie.

Daan Roosegaarde: „Wat ik doe vereist radicaal leiderschap. Een goede eigenaar van mijn kindje. Ik ben er niet voor degreenwashing, niet om te decoreren, ik wil echte verandering.” Foto Merlijn Doomernik

Nee, natuurlijk heb je met designer Daan Roosegaarde (36) geen gewone afspraak. Dat wordt dus meteen een ervaring. Een experience, zoals hij het noemt, die begint bij zijn nieuwe studio in een oude Rotterdamse glasfabriek. Met twee tredes tegelijk komt hij de trap af, zijn donkerblauwe jas al half-aan. Door naar de achtertuin; een braakliggend terrein waar zijn smogvrije toren staat, een metershoge, roestvrijstalen totempaal die 30.000 m³ lucht per uur zuivert. Dit is de paal die burgemeesters van Mumbai tot Parijs in vervoering brengt. Innovatief design! Vernieuwende technologie!

Daan Roosegaarde cirkelt om de toren heen. Deze reuzestofzuiger verbruikt 1.100 watt stroom. „Bijna net zo veel als een waterkokertje.” En natuurlijk is dit niet dé oplossing voor het mondiale milieuprobleem. Maar wel een „radicaal en crazy” begin ervan. Hij drukt op een afstandsbediening. De stalen schubben van het gevaarte vouwen zich open. Daar, wijst hij. Een klein luikje. Daarachter zit het reservoir voor het opgezogen fijnstof. Roetzwarte restjes die hij verwerkt in ringen en manchetknopen (te koop voor 250 euro; van de opbrengst wordt weer een nieuwe toren gebouwd).

En dóór gaan we. Over het hek, langs leegstaande loodsen, dwars door stadsmoestuinen naar de fruithaven waar een watertaxi wacht. Instappen en gaan. We stuiteren over de Nieuwe Maas. „Alleen hier...”, brult hij boven de herrie van de motor uit, „heb je het gevoel dat je in een echte stad bent”. Zijn donkerrode haar wappert in de wind als hij, links en rechts, bouwprojecten aanwijst in de skyline. „Alles wat nu gebouwd wordt”, schreeuwt hij, „is het resultaat van besluiten die tien jaar geleden zijn genomen”. Flarden van zijn woorden verdwijnen in de wind. „Komende tien jaar... Niet meer bouwen, bouwen, bouwen... Zachtere laag nodig... Upgraden wat al bestaat... .” Zwarte dieselwolken walmen ons in het gezicht. Hij hangt over de achterreling, waar de uitlaat zit. „Dit kan dus écht niet meer.” Volgend jaar komen er elektrische watertaxi’s.

We meren aan bij de Wilhelminapier en lopen naar visrestaurant Las Palmas van televisiekok Herman den Blijker. Of we bekend zijn met het concept, vraagt de ober. Losse lunchgerechten, 7,50 euro per stuk, hij adviseert ons er twee te nemen, drie mag ook.

Daan Roosegaarde beantwoordt nog even wat berichten op zijn telefoon, legt het apparaat dan omgekeerd op tafel. Nu hij ervoor is gaan zitten, met een glaasje prosecco erbij, valt op hoe goed hij kan vertellen wat hij doet. Pakkend als een reclameslogan. Hij maakt „techno-poëzie”. Een jurk die doorzichtig wordt als de draagster opgewonden raakt, een weg die oplicht zodra hij wordt bereden, een dansvloer die de energie van de dansers opslaat. Hij is een „steentje in het water”, de „ontbrekende link”, een „blije infiltrator”. Geen designer die weer een nieuwe stoel of tafel ontwerpt, maar een „ideeënjager”, die met innovatieve technologie een laag toevoegt aan wat er al is. Het is ‘social design’, bedoeld om „het leven van zoveel mogelijk mensen beter maken”.

Kindje

Het lijkt wel, nu hij de juiste woorden heeft gevonden om zichzelf te verklaren, of iedereen naar hem wil luisteren. Alleen, hij wil niet meer met iedereen praten. „Het moet niet zo zijn van: we vragen Daan erbij, we stoppen er een euro in en er rolt voor 100 euro aan ideeën uit. Wat ik doe vereist radicaal leiderschap. Een goede eigenaar van mijn kindje. Ik ben er niet voor de greenwashing, niet om te decoreren, ik wil echte verandering. Design is geen extraatje. De ideeën zijn het echte kapitaal. Daar moet je tijd, energie en geld in willen steken.” Tot nu toe pakt dat goed voor hem uit. Hij zit met bouwbedrijven over grote infrastructurele projecten te praten. Mark [Rutte, premier] introduceerde hem als Young Global Leader bij het World Economic Forum. Melanie [Schulz, minister] gaf hem de opdracht om zijn licht te laten schijnen over de Afsluitdijk – „zo heilig als de koe in India”. En ondertussen won hij prijs na prijs.

Toch lijkt hij niet naast zijn schoenen te lopen, zeg ik. „Acht jaar geleden werd nog miskend wat ik bedacht. Dat relativeert.” En daarvoor? Hij lacht . „Ik ben van twee kunstacademies gestuurd.” Waarom? Hij haalt zijn schouders op. „Ik paste er niet echt.” Op zijn zestiende deed hij een beroepskeuzetest. „Er kwam iets uit met kunst, reizen en techniek. Ik wist precies wat ik wilde. Maar ze zeiden: ‘Daan, wat jij wil, bestaat helemaal niet.’” Hij schampert: „Dikke doei. Door het te doen, is het ontstaan.” Lastig jongetje?, vis ik. „Mwaah. Eerder nerdy.” Van zijn achtste tot zijn tweeëntwintigste las hij voornamelijk. „Ik kreeg een baantje bij een antiquariaat in Amersfoort. Soms bleef ik er slapen. Er was een klein kamertje waar precies een matras in kon. Lag ik met Tsjechov en Dostojewski in m’n leescocon.”

Zoon van een natuur- en wiskundeleraar en een basisschoollerares. Twee jongere zusjes. Werd hij thuis gestimuleerd? Zijn woorden komen nu druppelsgewijs. „Op mijn zestiende ben ik op kamers gegaan. Dat was niet voor niets. Ik kom uit een familie van handelaren en leraren.” En wat is daar mis mee? „Niks.” Geen pioniers bedoelt hij, geen vernieuwers? „Dat boek van Hella Haasse, Heren van de Thee? Over theeplanters in Indonesië. Een van de hoofdpersonen, Jenny Roosegaarde, dat is een voorvoortante van me. In haar zie ik wel wat verwantschap. Dat je naar een ander werelddeel gaat en daar, in Bandung, besluit de natuur te hacken om thee te kunnen verbouwen. Radicaal. Vernieuwend.” Maar verder? „Verder niks. Ik laat me niet definiëren door het verleden, maar door de toekomst.”

De directe toekomst, dat is de Afsluitdijk die eind 2016 volledig opgeknapt moet zijn. „Het is onze grootste internationale trots. Maar wat zie je daarvan als je er rijdt? Niks. 200.000 man per jaar zit er vieze koffie te drinken. Verder gebeurt er niks.” En wat wil ‘Melanie’ nu van hem? „Zij zegt: Maak een icoon. Maak een icoon van de Afsluitdijk.” Een rit over de dijk moet allure hebben, een beleving zijn. En weet hij al hoe hij dat aanpakt? Hij prikt zijn vork in het sliptongetje op zijn bord. „Met ontwerpen is het ... je hebt de smaak in je mond, maar je weet de ingrediënten nog niet.” Het wordt iets met licht en interactie, energie en reflectie, maar hoe precies, dat is de puzzel die hij nu aan het oplossen is. „Sinds een paar maanden schrijf ik verhaaltjes. Wat ik wil zien, voelen, beleven, ervaren als ik op de Afsluitdijk ben. Het is zo bizar complex. Alleen zo kan ik engineers en techneuten uitleggen hoe ik het voor me zie.”

We zijn inmiddels toe aan ons derde lunchbordje. Crème brûlée. Hij serveert nog een paar woorden: Hij ziet nooit het dak, maar het begin van een dakterras. Hij is een „vrijwillige gevangene” van zijn verbeelding. Van alle ideeën is „tachtig procent bullshit en twintig procent beauty”. En ergens tussen droom en vakmanschap gloren ‘de plekken van de toekomst’ die hij ontwerpt. Mooier, slimmer, beter dan ze nu zijn. Neem die toren in de wijk de Bund in Shanghai, de stad waar hij een deel van de tijd woont. „Met de lift beweeg je door de ruggengraat van het gebouw. Op elke verdieping ervaar je een andere sfeer. Op de derde verdieping: jazzy. Op de zesde: techno. Op de zestiende: klassiek.”

Hij was, zegt hij, eerder verliefd op landschappen dan op meisjes.” De plassen bij Nieuwkoop, het landschap van zijn jeugd. „Door moerasgassen wordt het water warm. Vogels verzamelen zich daar. Reigers, meerkoeten. Surrealistisch.” Hij voelt zich verwant aan Salomon van Ruysdael, de zeventiende-eeuwse schilder beroemd om zijn Hollandse landschappen. „Hij had alleen verf, ik heb techniek om de natuur mooier te maken.”

Nou is de natuur van nature al erg mooi, zegt hij. En slim. „Heb je weleens de binnenkant van een oester bekeken? Perfect glad en oersterk.” Autofabrikant BMW probeert die perfectie na te bootsen voor de coating van hun auto’s. Biomimicry heet dat. De wetten en principes van de natuur proberen te doorgronden en evenaren, om er menselijke problemen mee op te lossen.

Duiken

Hij heeft een „obsessie” met natuur onder water. Hij duikt. In Indonesië, Thailand, soms boekt hij een weekend dichterbij, in Egypte bijvoorbeeld. Hij is nu aan het nachtduiken. „Mag eigenlijk niet, maar ik doe het toch. Wat je dan ervaart... Lichtgevende planten, vissen. Fok-king geniaal.” Zo kwam hij op het idee voor lichtgevende bomen, in plaats van lantaarnpalen die energie slurpen en daarom steeds vaker worden uitgezet.

We lopen terug naar de watertaxi, die zich halverwege de tocht ontpopt tot speedboot. Slaggolven langszij en opspattende waterdruppels, Daan Roosegaarde geniet als een kind in de draaimolen. „Deze kapitein wil ik volgende keer weer.” Draait zich om, om de sporen te zien die de boot achterlaat in de Maas. Ik zie golven, hij ziet een patroon. Boven de brullende motor uit hoor ik hem „mathematisch” roepen, „fantastisch” en „symmetrie”. We varen de Keilehaven binnen, uitgewaaid en opgeschud.

Zo, zegt hij als we van boord stappen. „Dat was een belevenis.”