Heilige grond

Joyce Roodnat

Over rooie koppen. De stille kracht. Kleur ontketend. Fellini’s studio 5.

In de voorstelling De stille kracht geselt een moesson de acteurs. We voelen hoe in het tropische klimaat de „mooiste blouse” gedoemd is te vervallen tot „de laatste draadjes”, en de mensen ook. Dat gevoel verlaat het podium niet meer. Prachtig gedaan, maar eerlijk is eerlijk, ik zit te wachten op de sirihscène.

Legendarische tv. De serie De stille kracht uit 1974: Pleuni Touws weerloze lichaam bij het baden wordt uit het niets bespuugd met rode vlokken sirih-pruimtabak.

En nu?

Halina Reijn speelt de residentsvrouw-op-drift. Mooi hoor. Sensueel en vitaal. Sterk. Niet twijfelend aan zichzelf (Touws beroemde: „Ben ik mooi, Oerib?”), maar twijfelend aan haar man, de resident.

Ha. Daar gaan we. Ze neemt een bad. Nee, een douche. Het water stroomt bloedrood over haar lichaam. Hm. Dit is benauwend, meer niet. Gedesinfecteerde horror.

Wat deze vrouw nekt is niet dat er wat roods langs haar druipt, maar dat ze bespuugd wordt. Dat snijdt veel dieper. Dat is eng en smerig en ook nog eens vernederend.

Het ene rood is het andere niet – dat had iemand regisseur Van Hove uit moeten leggen. Stuur hem naar het Haags Gemeentemuseum, naar de tentoonstelling Kleur ontketend. Daar ziet hij hoe rond 1900 schilders als Rik Wouters met hun heftige kleuren het realisme op de vlucht joegen. Vooral met rood – de klaproos viert hoogtij.

Van Hoves probleem was dat Pleuni Touws sirihscène in ons collectief geheugen vastgeroest zit. Wat moest hij? Imitatie kan niet. Schrappen ook niet. Wat dan wel?

Misschien is bloot op toneel wel achterhaald. Gezellig, maar wat betekent het nog? Niets. Daarom: vertaal het sirih-rood naar een vuurrode kop. Zo staat ze naakt in haar schaamte. Wat haar man ziet en waarvoor hij zich op zijn beurt schaamt. Dat is hun drama. Wederzijdse schaamte verhakselt de liefde. Altijd.

Zoiets?

Aan de rand van Rome, bij de een-na-laatste halte van metrolijn A, stap ik uit voor Cinecittà. Filmstad. Het studiocomplex dat in de jaren dertig werd gebouwd in opdracht van Mussolini, omdat hij vermoedde dat een stevige filmcultuur goed was voor de beste propaganda. En hij kreeg gelijk - nadat al het verdere wat hij met zijn fascisme hoopte, verwachtte en oplegde, was ontmaskerd als hels en hijzelf gelyncht. Maar geef toe – wat bezorgde Italië de faam dat la dolce vita er werkelijk zou bestaan? De filmkunst.

Cinecittà is toegankelijk voor de toerist, maar nog altijd in gebruik dus ik kan niet overal binnen. En van die enorme replica van de Bijbelse tempel van Jeruzalem mag ik beslist geen foto maken, want die is decor van een film die nog uit moet komen.

Ook bij studio 5 kan ik alleen even om een hoekje kijken. Wat ik doe. Ik staar verliefd naar een holle ruimte vol bende. Hier heeft Federico Fellini zijn films gemaakt.

Studio 5 is heilige grond. Woest en ledig. In afwachting van een god die er iets schept, waar de wereld rijker op wordt, en de mensen gelukkiger. Soms maar voor even, en dat is genoeg. Kunst doet wonderen. In de deuropening van Studio 5 weet ik weer eens niet hoe, maar wel dat het werkt.