Geef jong talent weer een grote zak geld

Berichten over een ‘brain drain’ lijken zwaar overdreven, maar Nederland wordt voor onderzoekers wel minder aantrekkelijk. Vooral doordat hier hun werkomgeving aan het verarmen is.

Abu Dhabi Foto Thinkstock

Alarm! Wetenschappelijk talent Maaike Kroon vertrekt uit Nederland. Het was vorige week in het nieuws. De 34-jarige hoogleraar chemische technologie geeft haar baan aan de Technische Universiteit Eindhoven op, om in Abu Dhabi een heel nieuw laboratorium op te zetten. En Kroon staat niet op zich, zo luidde de zorgelijke boodschap. Er dreigt een uittocht van toptalent. De Volkskrant opende er zelfs de krant mee.

Is dat zo? Zijn er cijfers die daar op wijzen?

Nee, laat de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen via een woordvoerder weten. Zulke cijfers zijn er niet. Dat zegt ook Ingeborg Meijer, onderzoeker bij het Centre for Science and Technology Studies (CWTS) in Leiden. „Er wordt nu een ontzettende fuss gemaakt, maar die lijkt me overdreven.”

Dat vindt ook Barend van der Meulen, hoofd van de afdeling Science system assessment van het Rathenau Instituut in Den Haag. Ja, zegt hij, er vertrekken inderdaad getalenteerde onderzoekers uit Nederland. Maar tegelijk komen er buitenlandse toppers naar ons land. En vaak genoeg keren Nederlanders na verloop van tijd ook weer terug naar hun geboorteland. „Dat is de mobiliteit die hoort bij de steeds verder internationaliserende wetenschap.” Voor een brain drain ziet hij geen enkel bewijs.

Onderhandelen met talenten

Maar er zijn ook mensen die zich wel degelijk zorgen maken. Douwe Breimer bijvoorbeeld, voormalig rector van de Universiteit Leiden, en tegenwoordig veelgevraagd voor wetenschappelijke evaluatiecommissies. Hij zegt dat hij „geluiden opvangt” dat buitenlands talent niet meer zo snel als voorheen voor Nederland kiest. Decanen bètawetenschappen van verschillende universiteiten hebben hem dat verteld. „Zij onderhandelen met buitenlandse talenten over hun mogelijke komst. En zien het uiteindelijk misgaan omdat zo’n talent dan toch liever kiest voor een ander land.” Het is lastig om dat fenomeen met cijfers te onderbouwen, geeft Breimer toe. „Het is allemaal anekdotisch.” Maar hij heeft wel het idee dat het vaker voorkomt.

Van der Meulen van het Rathenau Instituut ziet die zorgen vooralsnog niet terug in de prestaties van Nederland. Het blijft tot de internationale wetenschappelijke top behoren. Kijk naar de impact van gepubliceerd onderzoek. Die kun je meten: neem de publicaties van een land in een bepaald jaar, verdeel ze naar vakgebied, en kijk welk deel ervan in de daaropvolgende jaren tot de 10 procent meest geciteerde artikelen binnen die vakgebieden gaan horen. Nederland zit qua ‘impactscore’ wereldwijd bij de top vijf. Al jaren.

Ook haalt Nederland verhoudingsgewijs erg veel onderzoeksgeld weg uit Brussel, zegt Van der Meulen. Kijk naar de prestigieuze ERC-grants, de subsidies die sinds 2007 aan individuele topwetenschappers worden gegeven. Nederland sleepte tot nog toe 231 zogeheten starting grants, voor jonge talenten, binnen. Daarmee komt het op plaats vier, na het Verenigd Koninkrijk, Denemarken en Frankrijk.

Oud-rector Breimer kent al die goede prestaties. Maar blijven ze ook zo goed, vraagt hij zich af.

Peter van den Besselaar, hoogleraar Organisatie en dynamiek van de wetenschap aan de Vrije Universiteit Amsterdam, maakt de discussie nog wat complexer. Wat is eigenlijk toptalent, vraagt hij? Kun je dat ergens aan herkennen? Zijn het inderdaad de mensen die zo’n advanced grant uit Brussel hebben gekregen? Of die een vergelijkbare Veni-beurs hebben ontvangen van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), de belangrijkste financier van wetenschappelijk onderzoek in Nederland?

Van den Besselaar heeft er onderzoek naar gedaan. Hij volgde bijna 250 onderzoekers die een subsidievoorstel voor een Veni-beurs hadden ingediend. Het ging om psychologen, gedragswetenschappers en economen. Een deel kreeg die beurs – dat zouden dan de talenten zijn – en een deel niet. Na tien jaar bekeek Van den Besselaar alle publicatielijsten. Hadden degenen met de beurs een langere en betere lijst, met meer citaties? Nee, niet per se. „Het huidige selectieproces is niet optimaal”, schreef hij in het artikel erover, dat deze maand verschijnt in het Journal of Informetrics.

Groepsleider moet alles kunnen

We zouden sowieso niet zoveel over individuele topwetenschappers moeten praten, vindt Van den Besselaar. De omgeving, de groep waarin onderzoek wordt gedaan, is volgens hem belangrijker. „Als die uitstekend is komt het talent vanzelf.”

Wat is dan zo’n uitstekende omgeving? Ingeborg Meijer van het CWTS in Leiden heeft dat in kaart proberen te brengen. Ze schreef er vorig jaar april een rapport over, Toponderzoek in Nederland, samen met Jan van Steen van het Rathenau Instituut. Interne én externe factoren zijn van belang, zo concluderen ze. Een interne factor is bijvoorbeeld de groepsleider. Die moet niet alleen intelligent zijn, maar ook sociaal vaardig, keihard werken, en vooral veel kansen zien. „Toponderzoek vereist een bepaalde mate van hardheid en ambitie”, schreven Meijer en Van Steen. De infrastructuur moet niet alleen up to date zijn, net zo belangrijk is het dat er gespecialiseerde mensen zijn die er onderzoek mee kunnen doen. De onderzoekslijn moet consistent zijn, met continue verversing van promovendi en postdocs.

Het is juist die omgeving waarvoor oud-rector Breimer vreest. In zijn ogen is die aan het verslechteren in Nederland, ten opzichte van andere landen. Dat is wat hij terughoort uit het veld. Jong talent krijgt hier zelden meer een grote zak geld van een universiteit om helemaal vrij naar eigen inzicht te besteden. En ze kiezen nou eenmaal liever voor een plek waar dat wel het geval is. Zoals Maaike Kroon in Abu Dhabi. „Je moet hier al je geld bij elkaar vechten”, zegt Breimer. En dat gevecht wordt grimmiger. De kans om bijvoorbeeld projectgeld van NWO te krijgen, is geslonken. Dat komt omdat het aantal onderzoekers in Nederland de afgelopen jaren gestaag is gegroeid, net als het aantal projectaanvragen. Maar de geldpot van NWO is gelijk gebleven.

Daar ligt volgens Meijer van het CWTS in Leiden de kern van de zaak. Er zit geen grens aan het onderzoeksysteem. Dat zegt ook Van der Meulen van het Rathenau Instituut. „Je kunt er meer geld inpompen zodat het systeem kan groeien, maar dan stuit je over een tijdje op een nieuwe grens, en gaan er weer stemmen op voor meer geld.” Hieruit volgt de cruciale vraag: hoeveel wetenschappelijk onderzoek heeft een land als Nederland nodig? Is er een optimum? Een antwoord op die vraag is moeilijk te geven, zegt zowel Van der Meulen als Meijer.

Breimer vindt dat de universiteiten meer onderzoeksgeld moeten krijgen van de overheid, bovenop de circa 3 miljard die ze hiervoor nu jaarlijks ontvangen. Een half miljard euro per jaar erbij, waarvan 200 miljoen voor de bètawetenschappen, zegt Breimer. „Dat zou mooie smeerolie zijn.” Het zou universiteiten bijvoorbeeld meer ruimte geven om buitenlands talent aan te trekken.

Maar Meijer vraagt zich af of daar per se méér geld voor moet komen. Misschien kan het ook door het huidige geld anders te verdelen. Voormalig minister van Wetenschap, Ronald Plasterk, schoof bijvoorbeeld in 2008 ongeveer 100 miljoen euro jaarlijks van de universiteiten naar het budget van NWO. Die verschuiving zou de overheid kunnen terugdraaien – om te beginnen.