En nu speel ik de wedstrijd van m’n leven

Het Nederlands elftal speelde in het verleden vaker cruciale kwalificatieduels om zich te plaatsen voor EK’s en WK’s. Er werd strijd geleverd om de eer en de premies. „Nu stralen we uit dat we het wel even doen. Dan ga je dus de bietenbrug op.”

1975

1 Nederland-Polen 3-0 15 oktober 1975 Kwalificatie EK ’76

Donder en bliksem in kamp Oranje. Het is de dag voor de cruciale interland tegen Polen als Jan van Beveren en Willy van der Kuilen besluiten dat ze niet langer voor het Nederlands elftal willen uitkomen. Niet zolang ‘keizer’ Cruijff de scepter zwaait. Komt de aanvoerder te laat, dan nog wordt hij innig verwelkomd door bondscoach George Knobel. De topspelers van PSV voelen zich ondergewaardeerd. Boos verlaten ze het trainingskamp.

In zo’n sfeer moet Oranje zich voorbereiden op een wedstrijd die de ploeg moet winnen om zicht te houden op het EK 1976. Bij verlies zou Polen er met een ticket vandoor gaan. Of het invloed had op de wedstrijdvoorbereiding? Nee, zegt Ruud Geels (67), toenmalig spits „De sfeer was beter dan ooit. Onderweg naar het stadion hebben we continu gezongen in de bus. Wat? Geen idee. Allemaal flauwekul.”

In het Olympisch Stadion liet Oranje geen spaan heel van de ploeg waar het in Katowice met 4-1 van had verloren. Het werd 3-0, door doelpunten van Johan Neeskens, Frans Thijssen en Ruud Geels. Geels: „Ik scoorde met een gestuurde kopbal. Kijk maar terug op YouTube.”

Zijn terugblik op de bewuste dag is er een vol hoogtepunten. Geen bibbers maar bravoure, geen wanhoop maar vertrouwen. Ook toen was de druk hoog, maar volgens de spits waren de spelers daartegen bestand. Zoals ze ook het vertrek van de boze PSV’ers van zich af konden zetten. Behalve eer stond er iets anders op het spel wat het beste in hen naar boven bracht: geld.

Geels: „Voetballers zijn eigenheimers. Het klinkt lullig voor die jongens van PSV, maar grote toernooien spelen gaf ons de mogelijkheid een extraatje te verdienen. Elk duel kon een premie opleveren die de meesten goed konden gebruiken. Neem het WK van 1974. Ik denk dat we daar 60- of 70.000 gulden hebben verdiend. Als je verzaakte, werd je helemaal verrot gescholden. Wat logisch was: je kwam aan andermans brood. Maar de huidige internationals hebben basissalarissen van zeven ton per week. Dat ‘heilige moeten’ zie ik bij hen niet terug.”

2 Nederland-België 2-120 november 1985Kwalificatie WK ’86

Te koop op Marktplaats: een verzamelwerk van diepgaande interviews met een bezeten doelman. „Zonder angst liet hij zich op de keien vallen en kapotte knieën vond hij geen probleem”, is één van de citaten waarmee de verkoper de biografie aanprijst. Titel: Het engeltje van Hans van Breukelen. Uitgifte: 1989.

Vier jaar eerder zat dat engeltje op zijn lat. 20 november 1985 om precies te zijn. Die dag speelde Van Breukelen (59) met het Nederlands elftal een thuiswedstrijd tegen België. Het was de return van een direct tweeluik om één ticket voor het WK van 1986 in Mexico. De heenwedstrijd in Brussel had Nederland met 1-0 verloren. Daar had Wim Kieft zich na vier minuten uit de tent laten lokken door Franky Vercauteren. Kieft rood, Oranje verder met tien man. Kansloze missie.

In Rotterdam was het andersom. Daar was het Nederland dat 2-0 voor kwam en op de winst afstevende. Doelman Hans van Breukelen hield die avond zo veel ballen tegen dat de Belgen naderhand opmerkten dat hij een engeltje op de lat had zitten. Dat Nederland in de slotfase een fataal uitdoelpunt van Georges Grün incasseerde, de 2-1, lag niet aan hem. Van Breukelen: „Ik lag overal bij, had alles. Speelde misschien wel de beste wedstrijd uit mijn leven. Ik was in opperste staat van paraatheid.”

Dat was zijn kracht. Van Breukelen wil ermee zeggen dat zijn optreden kenmerkend was voor de houding die een topsporter moet hebben op momenten dat het er echt om gaat. „Voor zo’n belangrijke wedstrijd moet je jezelf en je ploeggenoten in dusdanige stemming brengen dat je top kunt presteren. De modus: ik speel de beste wedstrijd van mijn leven. Ik was in veel opzichten een aardige doelman, maar in mentaal opzicht helemaal. Belangrijke duels brachten het beste in mij naar boven.”

Mentaliteit, het besef dat het bittere ernst is, daar zouden spelers automatisch van doordrongen moeten zijn. Aldus Leo Beenhakker (73). De toenmalige bondscoach werd in dat opzicht nooit in de steek gelaten door Oranje. „We speelden wel eens slecht, maar altijd met ziel en zaligheid.”

Aan Beenhakker vragen of hij die instelling bij het huidige Nederlands elftal ziet, is als een retorische vraag. Er klinkt een zucht aan de andere kant van de lijn. „Ik zou tegenwoordig denk ik geen trainer meer kunnen zijn. Ik begrijp de spelers niet meer. Bij veel clubs zie ik wel elf spelers, maar zie ik niet de chemie om samen wat te bereiken. Kijk naar de eerste helft van PSV bij CSKA Moskou (bij rust 3-0 achter, red.). Dan ben je heel het jaar bezig om kampioen te worden, mag je vervolgens meedoen aan de Champions League, het mooiste wat er is, dan verwacht je toch dat de spelers zich het snot voor de ogen lopen? Maar nee.”

Zo is het bij Oranje ook, zegt de voormalige trainer van onder meer Real Madrid en Feyenoord. „Ze spelen hun wedstrijd en doen hun best. Maar de echte gedrevenheid ontbreekt. Je best doen is soms niet genoeg. Of vinden deze jongens de randverschijnselen allemaal interessanter? Hier zeggen wij altijd: leef je goed van het voetballen of leef je goed vóór het voetballen?”

Van Breukelen noemt het de Hollandse ziekte. Die komt erop neer dat na fraaie eindklasseringen op grote toernooien vaak een dip volgt. Na de finaleplaatsen op het WK van 1974 en 1978 ontbrak Oranje op de twee daaropvolgende WK’s. Van Breukelen: „Op het WK 1998 werden we derde, maar hetzelfde elftal was er in 2002 niet bij omdat het als een plumpudding in elkaar was gezakt. Ook al hadden we met Louis van Gaal onze beste trainer aan het roer.”

„Alles”, zegt hij, „valt terug te voeren op de mindset. Het kunnen opbrengen om na een topprestatie terug te schakelen naar een gevoel dat je de nummer twee of drie bent, en niet de nummer één. Zo houd je de drive. In plaats daarvan stralen we nu uit dat we het wel even doen. Bij zulke verslapping ga je dus de bietenbrug op.”

Hij stelt ook dat Nederlandse topspelers op de weg terug zijn, op Arjen Robben na. „Net als begin jaren tachtig. Toen waren de toppers uit jaren zeventig ook op hun retour. De gebroeders Van de Kerkhof, Arie Haan, Johan Neeskens. Wat dat betreft lijkt die mindere situatie op die van nu.”

Beenhakker: „We hebben de arrogantie om te denken dat we al jaren top zijn. Zeker, we hebben goede periodes gehad, maar van 1978 tot 1988 stelden we ook geen reet voor. We zijn gewoon een klein land. Kom op nou.”

3 Ierland-Nederland1 september 2001Kwalificatie WK ’02

Het is alsof Louis van Gaal al een slag om de arm houdt als hij in 2001 vooruitblikt op de cruciale WK-kwalificatiewedstrijd tegen Ierland: „Het is raar dat wij in Ierland meer respect van de mensen krijgen dan de Ierse ploeg zelf. Wij hebben een grote naam, maar dat zegt niets. We moeten die wel waarmaken.”

Linksback Arthur Numan is er die dag heilig van overtuigd dat Oranje daarin slaagt. „Niemand twijfelde. We wisten wat we moesten doen.”

Toch loopt het anders. Ondanks het veldoverwicht van Nederland en de rode kaart bij de Ieren, is het de thuisploeg die wint (1-0). Een totale schok. Van Gaal noemde het later de grootste teleurstelling in zijn carrière. Geen WK en dat met spelers als Marc Overmars, Patrick Kluivert en Jaap Stam.

Wat het huidige Oranje kan opsteken van die fatale middag? „Dat het niet uitmaakt hoe je wint”, zegt Numan (45). Mooi offensief positiespel is van ondergeschikt belang. „Voor mijn part schieten ze de bal veertig keer het stadion uit.”

Volgens Numan was de afgang geen gevolg van een gebrek aan mentaliteit. Het was een team waarin spelers met elkaar aan de bar zaten en kaartten en zich niet terugtrokken met spelcomputers, wat tegenwoordig gebeurt. „Ik heb nog nooit achter een PlayStation gezeten. Wij waren ouderwets en ouwehoerden nog met elkaar. We scholden elkaar ook verrot als dat moest. Ik werd er pislink van, maar dat had ik net nodig. Wij durfden nog wat te zeggen tegen elkaar. Ik heb nu het idee dat ze bang zijn om elkaar de waarheid te zeggen.”