Een van de meest geliefde Hongaren

foto ap

Het beeld staat voor altijd in ons geheugen gegrift: de president van Hongarije die ons uitwuift met een warm, bemoedigend, grootvaderlijk knikje gevolgd door een hartelijke zwaai. Een kleine man met spierwit haar, op pantoffeltjes, met zijn assistente aan zijn zij. Bij een zij-uitgang van het Hongaarse parlement aan de Donau in Boedapest.

Moment van handeling: het staatsbezoek dat koningin Beatrix in 1996 aan Hongarije brengt en dat stijf staat van het protocol. Maar niet voor Árpi bácsi. ‘Oompje Árpi’, zoals hij door zijn aanhangers liefkozend werd genoemd, heeft zich nooit groter voorgedaan dan hij zichzelf voelde.

Árpad Göncz, die deze week op 93-jarige leeftijd stierf, was de eerste president van het nieuwe democratische Hongarije, na de val van de communisten. Hij vervulde deze, vooral ceremoniële, functie tien jaar lang. Van 1990 tot 2000, de jaren dat Hongarije een vrije markteconomie werd en aansluiting zocht bij NAVO en EU.

De conservatieven en liberalen hadden hem als verzoener naar voren geschoven in het – toen al – sterk verdeelde land. Göncz vertegenwoordigde het ‘goede’ verleden. Hij had een rol gespeeld bij de Hongaarse democratische opstand van 1956 en hij was intellectueel en dissident.

De levensloop van Göncz vertoont veel gelijkenis met die van zijn Tsjechische vriend Václav Havel. Maar anders dan Havel is Göncz altijd een bescheiden stem op de achtergrond gebleven. Na de opstand van 1956 kreeg de Hongaar levenslang voor zijn aandeel in de strijd. In 1963 kwam hij na een algemene amnestie op vrije voeten. In de tussentijd had hij zichzelf Engels geleerd. Daarna volgde een periode van ‘innerlijke ballingschap’, waarbij de latere president stil verzet pleegde, onder andere door verboden boeken te vertalen uit het Engels.

Hoewel Göncz rechten had gestudeerd moest hij in die jaren genoegen nemen met baantjes als lasser of in de landbouw. Intellectueel hield hij zichzelf op de been met zijn vertalingen, en door zelf toneelstukken en korte verhalen te schrijven.

Toen Göncz in 2000 aftrad was hij één van de meest geliefde Hongaren. Hij had zich het respect verworven van zowel links, de voormalige communisten en de liberalen, als nationalistisch rechts, in het sterk verdeelde Hongarije een grote prestatie.

„De enige maat die geldt, is de menselijke maat”, hield hij zijn opvolger Ferenc Madl voor bij zijn vertrek. Het bescheiden, maar onwankelbare geluid van oompje Árpi lijkt in het Hongarije van premier Viktor Orbán iets uit een lang vervlogen tijd.