‘Dit is geen natuur waar de streek zich in herkent’

Er komt veel minder nieuwe kwelder dan de geplande 1.100 hectare, door het verzet van vogelbeschermers en boeren. De bedenker houdt hoop.

Luchtfoto van de kwelders bij Holwerd, genomen in 2014.

Noard-Fryslân Bûtendyks ziet er niet zo uit als bioloog Jaap de Vlas, die twintig jaar geleden de plannen voor het gebied maakte, zich had voorgesteld. „Nee. Het gaat heel langzaam.”

De Vlas was destijds ambtenaar bij het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Hij wilde 1.100 hectare (11 km2) nieuwe kwelder ontwikkelen. In 1994 zei hij in deze krant dat hij verwachtte „dat mensen daar over een jaar of vijftien tot uit Japan naar komen kijken”. Zo ging het niet. Na de ‘proefverkweldering’ van 120 hectare is er nog één stukje van 48 hectare ‘verkwelderd’ in 2009. De komende jaren komt daar nog 33 hectare bij rond een nieuw natuurvriendelijk gemaal, en dat is het voorlopig.

„Omdat veel mensen uit Noord-Friesland er niets in zien”, zegt De Vlas, „en door protesten uit de wereld van de vogelbescherming.” Aan de ene kant trekken de boeren, aan de andere kant de grutto’s, en It Fryske Gea zit er middenin.

„De mensen zeggen hier: het is een rotzooi geworden, een bende.” Dat zegt Jan Bosselaar. Hij is oud-wethouder van de gemeente Ferwerderadiel, waarin de kwelder ligt, en woont vlakbij. Hij vond het uitzicht vroeger mooier. „Dit is geen natuur waar de streek zich in herkent”, zegt hij.

Pootaardappelen

Onvrede over Noord-Friesland Buitendijks was er van begin af aan. In de jaren zeventig moest vanwege het Deltaplan de Friese zeedijk versterkt worden. Dat bood op de 18 kilometer zomerpolders tussen Holwerd en Zwarte Haan gelegenheid om nieuwe landbouwgrond te winnen. Ze waren in de eerste decennia van de twintigste eeuw aangelegd als werkverschaffingsprojecten. Zo eens per jaar overstroomde het land nog.

Het eerste kabinet-Lubbers besloot om die zomerpolders permanent in te polderen. Waar de zomerdijkjes lagen, zou een dijk op deltahoogte verrijzen. „De grond was uitstekend voor pootaardappels”, herinnert Jan Bosselaar zich. Maar natuurbeschermers protesteerden: er lagen ook afspraken dat de Waddenzee niet verder ingepolderd zou worden. In 1988 gaf de Raad van State hun gelijk, tot onvrede van lokale bewoners. Bosselaar: „Onbegrijpelijk. Het ging in tegen het oude Nederlandse gedachtengoed: de zee terugdringen, akkers aanleggen.”

De natuurontwikkeling leidde recentelijk nog tot een rechtszaak. Zeegroentekweker Roelof Hoogland, wiens akkers in de zomerpolders liggen, procedeerde tegen plannen van het Wetterskip Fryslân voor een natuurvriendelijk gemaal in het gebied. Bij het gemaal in de zeedijk komt een zoetwateruitlaat, waar trekvissen zoals palingen van moeten profiteren. Door de zoetwaterafvoer zou Hoogland problemen krijgen met zijn zoute akkers. Hij kreeg vorig jaar gelijk van de Raad van State. De aanleg van het gemaal begint nu, na aanpassing van de plannen, pas in 2017.

Ook bij de aankoop van de grond wordt momenteel „geen vooruitgang geboekt”, schreef de gemeente Ferwerderadiel afgelopen december. It Fryske Gea heeft nu 90 procent van de grond in bezit; twaalf eigenaren, onder wie Hoogland, verkochten niet. Veel boeren vonden de taxatieprijs te laag. „En dat is nooit opgelost”, zegt Jan Bosselaar.

Stampvol kluten

Volgens Jaap de Vlas moet It Fryske Gea door die achterliggende onvrede steeds voorzichtig opereren. Daarbij wil de natuurbeschermingsorganisatie ruimte vrijhouden voor vogels als grutto’s, tureluurs, kieviten, veldleeuweriken en scholeksters. „In Nederland gaat het steeds slechter met vogels die op de grond broeden”, zegt Chris Bakker van It Fryske Gea. „Maar in de zomerpolders gaat het steeds beter. Het zit daar stampvol met kluten en weidevogels.”

Er broeden nu twee keer zoveel kieviten, tureluurs en veldleeuweriken in de zomerpolders als in 1990. Sinds die in bezit kwamen van de natuurbeschermingsorganisatie, wordt er minder op het land gewerkt in het broedseizoen en groeien er meer kruiden. Op de proefverkweldering broeden juist minder vogels dan toen het nog weiland was.

Deels komt dat omdat er op de nieuwe kwelder (waarschijnlijk tijdelijk) minder gras groeit dan gehoopt. Maar het komt ook doordat kwelders sowieso minder geschikt zijn voor weidevogels, en door de algemene vogeltrend in de afgelopen tien jaar. Op de omliggende kwelders nam het aantal scholeksters bijvoorbeeld óók af.

It Fryske Gea besloot daarom in 2014 om van nóg 180 hectare zomerpolder-natuur toch geen kwelder te maken. Bakker: „ We zouden dan voor vogels elders broedgebied moeten bieden, en die grond kunnen we niet aankopen.” De Vlas vindt het jammer, zegt hij. „Een kwelder is een heel eigen wereld. En het uitgepolderde deel heeft zich erg goed ontwikkeld”, vindt hij. „In de lente en in de zomer als alles bloeit. Of op een zonnige winterdag als je de ganzen ziet. Tsjonge, dan is het mooi.”