Die kraaien moeten dood

Een jager krijgt de opdracht in Hoek van Holland een zwerm huiskraaien af te schieten. Twee jaar later is dat nog steeds niet gelukt. Alleen de slimste vogels zijn nog over.

Een donkerblauwe Ford Transit rijdt in alle vroegte over perron drie van station Hoek van Holland-Haven. Het busje stopt, een jager in zwart stapt uit, haalt een ladder uit het busje, zet hem tegen de overspanning van het perron en klimt over de krakende sporten de Westlandse hemel tegemoet, eeuwig verlicht door de kassen.

De voettocht over het dak lijkt eindeloos. Met snelle passen, emmers in zijn hand, loopt hij naar de veertig kooien achteraan. Niemand die ze vindt, anders waren ze al lang kapot gestampt door activisten. Een jager moet dieren te slim af zijn, soms ook de mens.

De luchtroosters ruisen, verder is het stil. Vandaag moeten de kooien vol zitten, anders was alles voor niets. De tientallen autoritjes vanuit Lelystad. De kilo’s maïs en hondenbrokken die de jager dagelijks in een spoor naar de kooien strooide. Telkens iets dichterbij en gisterochtend voor het eerst erin, zodat de kleppen zullen dichtvallen zodra de vogels hun lot verbinden aan hun eigen gulzigheid. Missie geslaagd.

Hard gefladder doorbreekt de stilte. Niks, helemaal niks. De jager ziet het meteen. Ja, drie tortelduiven en twee kauwen, vechtend voor hun leven. Maar die tellen niet. Hij laat de duiven vrij. De kauwen draait hij geroutineerd de nek om. Anderhalf rondje totdat je ‘plop’ hoort en de schedel uit de atlas ligt. Vaatdoektechniek.

Het moet rond 1994 zijn geweest dat twee onbeduidende, zwarte vogels Nederland bereikten. Het waren huiskraaien (Corvus splendens), vermoedelijk meegevaren als verstekeling op een vrachtschip vanuit Egypte. Dat gebeurt in Europa vaker. Maar ditmaal bleek het een paartje. Een unicum. Er was kans op uitbreiding.

Normaal leeft de soort in verre landen. Daar geniet hij ondanks zijn bescheiden postuur (spanwijdte 68-80 cm) een slechte reputatie. Zo staat de huiskraai in Kenia bekend om het beschadigen van mango’s en bananen. Op de Seychellen steelt hij eieren, in Jemen doodde hij eens een jonge geit. In Mombassa verjoeg de huiskraai een kolonie wevervogels, in Dar es Salaam de geelsnavelwouw.

Als je niet uitkijkt, geldt zijn reputatie, breidt de huiskraai zich razendsnel uit tot een plaag als in Mumbai, waar hij met duizenden luidruchtig foerageert rond het vuilnis in de haven. De huiskraai is een rasopportunist die eet wat de pot schaft en niet moeilijk doet over een slaapplek.

Boven alles staat de huiskraai bekend als intelligent. Hij herkent gezichten en is immer op zijn hoede. Nooit zal hij eindigen tegen het raam of uitgesmeerd over het asfalt. Vaste gewoonten geeft hij op zodra gevaar dreigt. En wie zijn nest uit de boom verwijdert, zal de volgende keer meters hoger moeten klimmen om iets te vinden. De huiskraai is een roofdier, slimmer dan zijn prooi. Net als de jager.

In de jaren nadat het paartje zich in Hoek van Holland had gevestigd was het Groot-Brittannië dat zich opwond toen het tot broeden kwam. De afvaart voor de Stena Line naar Harwich lag nog geen kilometer van het nest. Stel je voor dat ze de overtocht zouden maken.

In ‘de Hoek’ bleef het stil. De populatie groeide ongemerkt tot 27 exemplaren in 2008. Hoekenezen kenden de huiskraaien vooral van rond het Vispaleis en de fietsenstalling bij het station en verwarden ze meestal met kauwtjes. Niemand die er last van had. De kaasboer wierp ze soms een blokje toe, anderen strooiden brood. Nee, dan de zilvermeeuwen. Patat uit de bakjes vreten, vuilnisbakken leegtrekken. Die waren pas brutaal.

Toch moesten de huiskraaien dood. Diplomatieke druk vanuit Engeland zou een rol hebben gespeeld, net als nieuw Europees beleid dat inheemse soorten moest beschermen tegen ‘invasieve exoten’, schadelijke dieren van buiten die niet op eigen kracht de grens zijn overgestoken.

En zo landde de huiskraai als ongewenste asielzoeker op Bijlage 1 van de Regeling Beheer en Schadebestrijding Dieren, tussen de rosse stekelstaart en de Siberische grondeekhoorn. De Raad van State verklaarde de huiskraai in 2013 definitief vogelvrij. Dat was het moment dat vogelaars uit binnen- en buitenland Hoek van Holland overspoelden. Met camouflagelenzen hielden ze zich op in het gras van de vluchtheuvel tussen de viskraam en het station. Was voorheen niemand in de huiskraai geïnteresseerd geweest, nu de populatie dreigde te verdwijnen beseften ze dat de soort nog op hun lijstje ontbrak. Vogelaars houden van afvinken.

Dominomus

Het is maart 2014. Jager Arie den Hertog uit Lelystad kijkt naar de daken rondom het winkelcentrum. Hij weet waar ze slapen. Verderop. In een boom bij iemand in de achtertuin. Eerst vliegen er altijd één of twee uit om te verkennen, daarna pas de rest. „Ja, kijk! Zie je ze daar? Kakakakaka.”

Hij wijst naar een zwerm vogels hoog boven de Zeeman. „Dit zijn huiskraaien. Grote vleugels, lange staart.”

Den Hertog, veertig jaar oud, is naar eigen zeggen de enige in Nederland die „op niveau” vogels bestrijdt. Geboren met vangdrang had hij op zijn vijfde zijn eerste muis te pakken. Later schoot hij de postduiven van de buurman en op zijn achtste bedacht hij dat het slimmer is om de klapklem haaks op de plint te zetten dan parallel, zodat de muis aan twee kanten bij het kaasblokje kan.

Nu jaagt hij al vele jaren in opdracht van overheden en bedrijven op ‘overlastgevende’ dieren in dichtbevolkt gebied. Hij ving duiven op de Dam, meeuwen op de Maasvlakte. Hij verwierf wereldfaam toen hij in 2005 in de hal van Domino Day een verdwaalde mus omlegde die daags voor de recordpoging al 23.000 dominostenen had omgegooid. Een borstschot, in één keer dood. De ‘Dominomus’ werd een museumstuk en de prestatie haalde CNN. Het leverde hem naast lof wereldwijd enkele duizenden doodsbedreigingen op.

Of die huiskraaien nu zo schadelijk zijn? Het gaat hem om de eer. De opdracht die hij kreeg van de provincie Zuid-Holland om de 27 huiskraaien in Hoek van Holland te beperken noemt hij „een topuitdaging”. De moeilijkste klus uit zijn carrière. Dan stop je niet voordat je ze allemaal hebt.

Hoe moeilijk het is, merkte hij al bij zijn eerste vangpoging, 27 januari 2014. Weken had hij de huiskraaien gevoerd voor hij bij de fietsenstalling voor het station een poging met het schietnet ondernam. Een meisje uit Hoek van Holland was die dag ooggetuige en bracht op Facebook verslag uit:

‘Vanochtend op het station stonden we met ongeveer vijftig man te wachten op een trein die (weer eens) vertraging had. Ik zag een mysterieuze man lopen aan de overkant van het spoor die opeens zaadjes op de grond gooide. Er kwamen allemaal vogels op af en vlak daarna klonk een onwijs harde klap (sommige mensen gingen gillen en ik dook zelf weg). Opeens zat een net over die vogels en vlak erna waren ze dood. Vervolgens lopen twee mannen vrolijk naar de vogels toe, proppen ze in een bak en gaan er vandoor. Wat is dit?’

De afstand tussen het schietnet en prooi was 3,65 meter geweest, voor Arie den Hertog net 50 centimeter te veel voor een optimaal resultaat. Een schamele zes stuks was de score. Het vertrouwen van de groep herwinnen kon weer weken duren.

Nu plan A (schietnet) niet heeft gewerkt en plan B (vangkooien) evenmin, heeft de jager zijn besluit genomen. Het is tijd voor Plan C. Afschieten. Desnoods midden in het dorp.

Postzegeltuintje

In een rijtjeshuis achter het winkelcentrum opent Michiel Frowein zijn tuindeur. Hij wijst naar de boom. „Kijk, daar zijn ze.” Geschrokken vliegt de zwerm huiskraaien op uit het loof naar een boomtop verderop.

Het is alweer maanden geleden dat de jager bij het station afdroop met veertig lege kooien. Inmiddels is hij begonnen met schieten en zijn de eerste vogels omgelegd. Nog sneller zou het gaan als de jager ze kon opzoeken bij hun slaapverblijf. Maar de huiskraaien hebben de veiligst mogelijke plek in Hoek van Holland uitgekozen voor hun nachtrust: de boom in het postzegeltuintje van dierenvriend Michiel Frowein. Een sterke kerel met grijze ringbaard en een gouden oorbel.

Een betere beschermheer hadden de kraaien zich niet kunnen wensen. Want laat Frowein nu net als keurmeester in de bloemen zijn wegbezuinigd, waardoor hij zich voor de volle 100 procent kan inzetten voor de goede zaak.

„Een gelukje voor de kraaien”, noemt hij het zelf. En pech voor jager Arie den Hertog, door hem steevast ‘Duke’ genoemd – naar zijn bedrijf Duke Faunabeheer.

Dieren, vertelt Frowein, waren voor hem als kind al een baken in een hectisch leven. Vader zat op de grote vaart, was veel van huis. Na de scheiding van zijn ouders raakte Frowein, op het punt van doorbreken in de tennissport, aan de drank en de drugs. Pas jaren na de geboorte van zijn eigen zoon kon hij de rust in zijn leven weer vinden. En al die tijd waren dieren zijn beste maatjes. Ze gaven hem affectie. „Kijk maar eens in de ogen van een dier, dan voel je de warmte.”

Maar die kraaien zijn zó kansloos, dat maakt het emotioneel. Hij voelt het alsof de kraaien hun machteloosheid hebben overgedragen op hem.

Hij trekt de tuindeur achter zich dicht en hijst zich in zijn combatoutfit. In legerbroek en leren jack, US Airborne-pet op, loopt hij de voordeur uit en neemt plaats op zijn Tomos-brommer met fietstas. Klaar voor zijn dagelijkse patrouille door de buurt. Op jacht naar het busje van ‘Duke’.

„Chiel, succes!” roept een fietser als Frowein op zijn brommer langsrijdt.

Kapotte poot

Arie den Hertog probeert opgewekt te blijven, maar de jacht loopt niet zo voortvarend de laatste tijd. Dat ligt deels aan die verdomde kraaien die zijn busje inmiddels herkennen en telkens hoog boven de bomen blijven vliegen. De kraaien zijn nog slimmer dan hij dacht. Verdachte bewegingen, plots stilstaan, een blik omhoog; ze hebben alles door.

En dan zit Den Hertog ook nog eens „te rommelen met de tijd”. Dan jaagt hij ’s ochtends, dan weer overdag. Om twee uur ’s middags met een geweer op schoot door het winkelcentrum, dat is geen pretje. Het is niet anders. Die kerel met zijn brommer, die tijdens het jagen almaar voor hem blijft rijden, laat Den Hertog geen andere keus. Zeker niet nadat de confrontatie met die vent laatst leidde tot een hoop herrie.

De ontmoeting tussen jager en beschermer, maart 2014, was toeval geweest. Had Frowein niet om zeven uur ’s ochtends zijn tuindeur geopend om de vogeltjes te voeren, dan had hij die twee knallen in de verte nooit gehoord. Zachte knallen waren het, licht kaliber, 5,5 millimeter, als die van een luchtbuks. In volle vaart rende Frowein in de richting van het geluid.

Daar, op de parkeerplaats bij clubhuis Matchpoint, bij de hoge dennenbomen naast de tennisbaan, zag hij ‘Duke’ staan. Die had zijn geweer alweer in de aanslag, klaar om nogmaals aan te leggen. Een andere man stond ernaast.

„Stelletje doodskoppen! Opdonderen! Dierenbeulen!”, riep Frowein rennend.

‘Duke’ en de andere man wilden naar hun bus teruglopen, maar zomaar liet Frowein ze niet gaan. Hij ging voor ze staan en een beetje draaien, dreigen, rommelen, lopen, doen. Hij vroeg ze om hun vergunning en belde ter plekke met RTV Rijnmond om te zeggen dat hij „die mensen hier op heterdaad” had.

Frowein legde direct een telefonisch interview af en zag hoe de jagers de getroffen vogels – twee stuks – uit het struikgewas probeerden te halen om het bewijsmateriaal weg te poetsen. Tevergeefs. Frowein wist ze hun busje in te jagen en bleef ze volgen tot bij het station.

Later zocht hij samen met de lokale fotograaf in de bosjes naar de slachtoffers. Het eerste lag dood op de grond met zijn vleugels naar beneden. Het tweede vond hij even later hangend in de boom, nog levend, getroffen in zijn poot. Dat was geen huiskraai nota bene, maar een kauw.

Ruim een uur heeft de kauw gehangen in de boom, totdat hij door een windvlaag naar beneden viel en de verzamelde pers kon vastleggen hoe Frowein de dode kauw met kapotte poot omhoog hield. „Woede in Hoek van Holland om afschieten huiskraaien”, stond prominent in de lokale krant.

In de maanden erna wist de jager er toch telkens eentje af te snoepen van de zwerm, die inmiddels nog maar twaalf huiskraaien telde.

Prepareertafel

„Hart.”

„Nier.”

„Lever.”

„Milt.”

Bij elk steekwoord overhandigt de man met het scalpel een orgaan aan zijn collega. Die stopt het met een pincet in het juiste buisje. Vooral bij de hersenen is dat proppen. Hersenen zijn een soort snot, daar krijg je geen grip op.

Op de prepareertafel van ruimte K01 liggen de vijf kraaien al uit hun jasje netjes op een rij. Een voor een worden ze gevild. De organen gaan naar het Erasmus MC voor virologisch onderzoek, de veren krijgen een wasbeurt met Robijn, de enige die het verendek echt mooi zacht krijgt. Daarna worden de kraaien gevuld met onbewerkt katoen en verdwijnen ze gedroogd op een stokje in de collectie bij de andere huiskraaien die Arie den Hertog al heeft binnengebracht.

Conservator Kees Moeliker van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam sprong er bovenop toen hij hoorde dat de enige populatie huiskraaien in Europa verdelgd zou worden. Of dat echt nodig was, vroeg hij zich wel af.

Hij vond het hoe dan ook belangrijk dat de kraaien behouden bleven voor onderzoek. Waar komen ze vandaan? Stamt deze populatie werkelijk af van één paartje? En er past er zeker wel eentje in de vitrine naast de Dominomus, de windmolenpelikaan (gekortwiekt in een windmolenpark) en de McFlurry-egel (de eerste egel die in Nederland is gestikt in een McFlurry-bakje).

Moeliker zocht contact met Arie den Hertog en sindsdien rijdt die na elke vangst langs Rotterdam. Meestal met één poepverse huiskraai, gevouwen in een Metro. Ditmaal liefst met vijf.

„Long.”

„Cloaca.”

„Twaalfvingerige darm.”

Bewonderend houdt Moeliker een bal in zijn hand. Hij pakt de schuifmaat erbij. „Zó! 21 bij 11 millimeter!” Het is broedtijd, dus zijn de ballen van de huiskraaien enorm gegroeid. Ze zijn nu groter dan hun hersenen. Geen wonder dat de jager er in één klap vijf ving.

Eén schot

„Hoor je ’m?” Arie den Hertog opent het raam, de motor draait. Zijn collega houdt het geweer op schoot verborgen onder een groene fleecetrui. Het is juni 2015, 6.20 uur in de ochtend, de lantaarns in Hoek van Holland branden nog.

„Hier, komt-ie aan”, zegt Den Hertog opgewonden. „Fladderende vlucht.”

Na ruim veertig bezoeken aan Hoek van Holland is de strijd nog altijd niet beslist. Er zijn nog vijf huiskraaien over. De slimsten.

En als ze al niet slim waren, dan heeft de jager ze slim gemaakt. Voorheen hoorde de jager ze meteen brullen als hij met zijn bus langsreed. ‘Prrrr. Prrrr.’ De anderen waarschuwen. Maar dat gebeurt door de geringe groepsgrootte niet meer. Gewoon blijven vliegen, weten ze.

De jager grijpt naar zijn verrekijker. Tachtig meter verderop, achter een wit huis, daar vliegen er twee.

„Proberen, één schotje.”

Landen doen ze nog niet. „Opschieten dan, krengen.”

„Ja, in de landing.”

Den Hertog pakt het geweer en steekt de loop naar buiten. En weer naar binnen. „Toch niet.”

Om 9.18 uur vliegen bij het station plots twee huiskraaien rechts boven het busje. Eén gaat zitten op de bedrading van de rails. Den Hertog legt aan vanaf de stoelleuning en stelt het vizier scherp op vijftig meter afstand. Zijn gezicht staat gespannen, zijn hart voelt hij kloppen in zijn borst. Zoeken, zoeken in de kijker. Doelwit gevonden. Trekker overhalen.

‘Páng!’

Het geluid van een gesprongen veer, de geur van metaal door de cabine.

De kogel vloog twee centimeter over de vogel heen en moet ergens in het water zijn beland. De vogel is gevlogen. Den Hertog houdt het vandaag voor gezien. „De volgende keer kom ik wel weer met de auto van mijn vrouw, zo’n klein zwart dingetje. Misschien dat het helpt.”

De eerste herfstzon schijnt over perron drie van station Hoek van Holland-Haven. Er staat een busje geparkeerd met koffie en thee voor de marechaussee. Die hebben het druk zat sinds de vluchtelingencrisis.

De jager heeft sinds juni nog één huiskraai weten te vangen.

In de verte, hoog boven het winkelcentrum, vliegen vier zwarte vogels.