Column

De olifant in de kamer heet: Marine Le Pen

In 2013 werd er in Europa bijna geen besluit genomen: Duitsland hield in september van dat jaar verkiezingen. Bondskanselier Merkel nam geen risico en schoof gevoelige Europese dossiers over Griekenland en de banken voor zich uit. Ook kreeg de Europese Commissie uit Berlijn het verzoek om onderzoek naar marktverstoring door Duitse bedrijven te vertragen.

Merkel dacht kennelijk dat regeringsleiders meer kans hebben om verkiezingen te winnen als ze geen pro-Europese uitspraken doen. Brussel en andere hoofdsteden klaagden dat één land Europa gijzelde, maar er was ook begrip.

Wie nu met hoge ambtenaren en politici spreekt, beleeft een déjà vu. Zij het dat het nu om Frankrijk gaat. In 2017 zijn daar presidentsverkiezingen, die hun schaduw vooruit werpen. De olifant in de Europese kamer heet: Marine Le Pen. President Hollande en zijn ministers hebben Brussel al vaak gewaarschuwd het Franse begrotingstekort niet te hard te veroordelen, „anders zit Le Pen hier straks”.

Ook het debat over vluchtelingen wordt erdoor getekend. Toen Commissievoorzitter Juncker in september zei dat de vluchtelingenopvang een kwestie was van ‘Europese waarden’, raakten functionarissen in de Europese Raad – het orgaan van de regeringsleiders – bijkans in paniek. Eerst Merkel, die zei „Wir schaffen das!”, nu Juncker weer. „Hier”, zei zo’n functionaris laatst, wijzend naar zijn scherm. „Le Pen, alweer omhoog. Merkel, 7 procentpunt gezakt.”

De peilingen regeren Europa, lijkt het. Of liever: door angst voor peilingen die kunnen-gaan-aantonen dat eurosceptisch extreem-rechts aan de macht komt. Als dat in Frankrijk gebeurt, met Duitsland de kern van het Europese project, is de Unie kapot.

Klopt deze redenering? Is het nodig dat Europese leiders zó bang zijn voor eurosceptici en nationalisten, dat ze bij voorbaat meer Europese integratie van tafel vegen? Dat spindoctors van de Nederlandse regering de godganse dag sites als GeenStijl raadplegen?

Nee, zegt Miguel Otero-Iglesias, analist bij het Koninklijk Elcano Instituut voor internationale betrekkingen in Madrid: „Eurosceptici beslaan maximaal 15-20 procent van het electoraat in Europese landen. In Duitsland, het grootste land in de EU, is het percentage zelfs lager.”

Daarna, schreef Otero deze zomer op de site van Politico, zitten eurosceptische partijen aan hun plafond en moeten ze het hebben van andere issues. Zo toont de Eurobarometer keer op keer dat veel Europeanen begrijpen dat op bepaalde gebieden – zoals de euro – méér Europa en minder nationale soevereiniteit nodig is.

Europeanen die in de eurozone wonen, scoren hoog. In niet-eurolanden is de steun voor meer Europa veel lager. Op de vraag ‘Bent u vóór de euro’ zegt 67 procent binnen de eurozone ja (Duitsers: 74 procent), daarbuiten 35 procent (Britten: 20 procent). Ook op ‘vagere’ vragen, zoals over Europese identiteit, zie je een duidelijke scheidslijn tussen eurolanden en niet-eurolanden.

De PVV maakte in 2012 een issue van Europa. Een miskleun: de PvdA won nadat partijleider Samsom zich uitsprak vóór leningen aan Griekenland. De Oostenrijkse FPÖ toetert niet meer tegen Brussel, omdat ze dan niet boven 20 procent uitkomt. „Tweederde van de kiezers stemt nooit FPÖ en zal dat nooit doen”, zegt de Oostenrijkse schrijver Robert Menasse. Toch blijven politici proberen extreem-rechts de wind uit de zeilen te halen door hun standpunten te kopiëren. „In competitie met die idioten worden ze hun buiksprekers”, zegt Menasse.

Het probleem van Europa is niet alleen wat extreem-rechts zegt. Het is ook dat andere politici nauwelijks weerwoord geven.