De nieuwe kwelder en zijn kleine kwelgeesten

Waar ooit saai weiland was, is nu een kwelder vol nieuwe planten en vogels. Die rijkdom kan alleen maar groter worden. Maar toen was daar het klein schorrenkruid....

‘Wat kinderachtig. Nou doet ie het niet.” Bioloog Peter Esselink zit geknield naast een grote plas zout water op een Friese kwelder. Hij doopt er een schattig stervormig bloemetje in. Esselink wil laten zien hoe goed typische kwelderplanten zijn aangepast aan de vloed die regelmatig over het land stroomt. Dit is – het plantje was geen fraaiere naam gegund – de gerande schijnspurrie. „De bedoeling is dat hij zichzelf onder water snel sluit.”

Ach. Het is al mooi dat de gerande schijnspurrie hier stáát. Hier, buitendijks in het noorden van Friesland, groeide vijftien jaar geleden bijna alleen maar gras voor de koeien, met wat klaver en distels ertussen.

De kwelder waarop we staan, is nieuw. In dit gebied, Noard-Fryslân Bûtendyks, werd in de jaren negentig een ongekend plan gemaakt om 11 vierkante kilometer (1.100 hectare) nieuwe natuur aan te leggen. Vanaf Holwerd, waar de boot naar Ameland afvaart, tot aan het gehucht Zwarte Haan – achttien strekkende kilometer naar het westen.

Hier, op grasland waar Friese boeren hun vee weidden, zou de grootste kwelder van West-Europa komen. Het ideaal: dat je het dijktalud afstapt, en dan drie kilometer over de kwelder moeten lopen om bij de zee te komen. Vanaf brak rietland, over de hoge kwelder tot aan de steeds weer overstroomde zeekraal aan de vloedlijn. Dat heb je nergens in Nederland.

Het grootse plan staat zo nog steeds op de website van landschapsorganisatie It Fryske Gea, maar het staat op losse schroeven – lees het stuk hiernaast. Het begin is er wel: dat is het natuurgebied van 120 hectare waar we nu staan. In 2001 stak It Fryske Gea er de zomerdijk door, en groef drie kreken. Sindsdien spoelt de vloed weer bijna maandelijks over het land, vooral in de winter.

Tot 2012 volgden biologen intensief wat er gebeurde in deze ‘proefverkweldering’. In augustus verscheen in Applied Vegetation Science daarover een wetenschappelijke publicatie van Esselink en collega’s, en in het voorjaar het dikke eindrapport Van polder naar kwelder. Er is maar één andere plek in Europa (Tollesbury in Engeland) waar ook zo nauwkeurig en langdurig is bijgehouden hoe na ‘ontpoldering’ een nieuwe kwelder zich ontwikkelt.

Nu, veertien jaar nadat in Friesland de zomerdijk werd doorgebroken, is de kweldernatuur in het gebied „redelijk succesvol”, oordeelt Esselink. De 23 kwelderplanten waarvan het de bedoeling was dat ze zich zouden vestigen, zijn er ook gekomen. Niet in optimale verhoudingen, en met de vogels valt het ook wat tegen, maar alla – het is toch echt een nieuwe kwelder.

Peter Esselink knielt nog maar eens, nu een paar meter van het waterplasje. Hij is zelfstandig bioloog en al zijn hele carrière bezig met kwelders – hij noemde zijn bedrijfje zelfs Puccimar, naar het ‘gewoon kweldergras’ Puccinellia maritima. Hier bij de plas staat het. En zeeweegbree, en schorrenzoutgras. „Heel bitter. Er zit cyanide in.” Zilverschoon, melkkruid, de gerande schijnspurrie dus, en dáár de zilte schijnspurrie. Het zijn kleine plantjes, de argeloze bezoeker is er met twee laarzenstappen langs. „Maar dit is dus zo’n plek waar je ineens alles bij elkaar ziet.”

Het aanleggen van nieuwe kwelders is in de mode, liet Mineke Wolters zien in haar proefschrift Restoration of salt marshes uit 2006. In 1991 gebeurde het in West-Europa voor het eerst. De Europese Habitatrichtlijn vraagt erom, het beschermt de kusten, en bij ongewilde dijkdoorbraken was bovendien gebleken dat het kan: kwelders ontstaan dan spontaan. Sindsdien zijn er elk jaar wel één of meerdere projecten gestart. Vooral in Groot-Brittannië, maar ook in Nederland en Duitsland.

Half natuurlijk

Vanaf een bunker die tot uitzichtspunt is omgebouwd, kijkt Peter Esselink met Chris Bakker van It Fryske Gea uit over de nieuwe natuur, met rubberlaarzen aan. We zien geen zee, zo breed is het buitendijkse land hier, en het ruikt vandaag ook niet naar zee – de wind is aflandig.

Van bovenaf lijkt de nieuwe kwelder nog altijd op een weiland: het is een vlakte met her en der vee, alleen de kleur is interessanter. Grasgroen, grijsgroen, her en der velden van bruin. Verderop zijn ook nog plaatsen waar de paarse zeeaster tot op borsthoogte staat.

Dat is normaal. Kwelders zijn dicht begroeid, want ze zijn voedselrijk door het zeeslib. Vee graast van oudsher op de Nederlandse kwelders. Runderen, schapen en paarden voorkomen dat de kwelder uiteindelijk dichtgroeit met een hoog gras dat ‘zeekweek’ heet. De meeste van de huidige kwelders zijn ‘half natuurlijk’. Veel zijn ontstaan door landaanwinning, en de meeste worden beweid om ze in stand te houden.

Het trapje van de bunker af, de kwelder op. Lage grassen, dan weer kuithoge begroeiing. Waar je op hanepoten door de planten moet, is het ruig. Waar de reukloze kamille bloeit en de veldleeuweriken dansen, is het lieflijk. En het gaat maar door, kilometer na kilometer.

De omstandigheden voor de proefverkweldering waren gunstig, vertelt Esselink. „Qua hoogteligging is het precies goed.” Het gebied ligt vrij laag (1,3 tot 1,9 meter boven NAP) zodat het zeewater en het slib gemakkelijk het gebied instromen. Bij de laatste metingen, tien jaar na het doorsteken van de zomerdijk, lag het gebied ruim 7 centimeter hoger en was de bodem overal zout geworden.

Daarbij: omdat er een bestaande kwelder naast ligt, waren de typische planten al in de buurt. „In 2002 kwamen de zoutplanten meteen, alsof er een zaadbom was gebarsten.”

De eerste evaluatie, tot en met 2005, was veelbelovend. Al die nieuwe planten! Nog een paar jaar opslibben en grazen, en dan zou de kwelder perfect zijn voor voedselrijke kweldergrassen, waar ganzen zo van houden. Maar dat gebeurde niet. Kwelders zijn veranderlijk. Een paar jaar later gebeurde er iets onverwachts, en daarom lopen we nu met opgetrokken knieën: het klein schorrenkruid kwam.

Bijna de helft van het oppervlak van de proefverkweldering is er nu mee bedekt. Op zich is het een normale kwelderplant, maar er is zo véél van. In deze tijd van het jaar zijn het uitgestrekte matten, die roodbruin kleuren – te eentonig voor insecten. En omdat klein schorrenkruid eenjarig is, is het hier in het voorjaar juist vrijwel kaal. De begroeiing biedt dan weinig schuilplaatsen voor broedende vogels.

„Het begon doordat de greppels geblokkeerd raakten”, vertelt Esselink. Chris Bakker van It Fryske Gea (hij is er hoofd natuurkwaliteit) weet het. „Wij dachten: hoe natuurlijker hoe beter, weg met die greppeltjes.” Het grazende vee, vooral de paarden, doet op zo’n drassige bodem meer kwaad dan goed. Ze trappen nesten kapot en ze egaliseren de bodem door hun gestamp. „De modderfase”, noemt Bakker het.

Platstampen

Het is een vrij nieuw inzicht: vee doet kwelders niet altijd goed. Enkele weken geleden promoveerde Kelly Elschot er op aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze liet zien dat vee goed is voor de biodiversiteit op kwelders, maar juist slecht voor de opslibbing doordat het de grond aanstampt.

„Het is geen ecologische ramp hè”, relativeert Chris Bakker de modderfase van schorrenkruid. „Het is een les.” Hij gaat de greppels niet weer openmaken. „Ik ga pas aan de slag als er schakels in een natuurgebied missen.” De natuurorganisatie experimenteert op de kwelders nu met ‘mozaïekbeheer’ om beter te beweiden. Dat betekent: in bepaalde delen van het terrein kan veel vee komen, in andere delen weinig of zelfs helemaal niet, in weer andere delen moet je jaren met en zonder vee afwisselen. En met trappelende paarden blijft het uitkijken.

Het is „puzzelen”, zegt Chris Bakker. Hij moet ook rekening houden met zijn pachters. Maar het werkt wel, zegt hij. „Als je niet beweidt, komt er meer zuurstof in de bodem en keert het gras terug.” Hij knielt en pakt een halm vast. „Het staat er al.”