De boomstam kan best knalrood zijn

Kleur Ontketend is een blockbuster voor moderne kunstfans.

En daar hangt hij: een molen die verzengt in het zonlicht. Dit oer-Hollandse schildersmotief, symbool van vlijt, arbeidsvreugde en degelijkheid, verandert in 1908 onder de handen van Piet Mondriaan in een wild woekerende vlam waar je ogen bij verbranden. Molen bij zonlicht is niet alleen verblindend van kleur – citroengeel, loeiend oranje, hardrood en ijselijk blauw. Het is ook een manifest tegen datgene wat daarvoor was: de stemmige molens, bonte koeien en frisgroene weiden van de Haagse School, een stroming veel somberder van kleur.

‘Nieuwlichter’ Mondriaan, zoals critici hem spottend noemden, is één van de tientallen schilders en tekenaars die op de net geopende tentoonstelling Kleur ontketend in het Gemeentemuseum Den Haag te zien is. De tentoonstelling is het resultaat van een samenwerkingsverband van het Gemeentemuseum met het Antwerpse Koninklijk Museum voor Schone Kunsten dat wegens renovatie tot 2018 is gesloten.

Verf op alle denkbare manieren

Kleur ontketend - moderne kunst in de lage landen 1885-1914 is een blockbuster waar iedereen die van schilderen houdt zijn vingers bij zal aflikken. Er is verf, op alle denkbare manieren op linnen aangebracht - dik als klei bij Van Gogh, uitgebeend bij de Belg Rik Wouters, in mini-erwtjes op het doek aangebracht bij de pointillist Signac. Er is een breed palet aan kleuren die in toenemende mate los komen te staan van het voorwerp van afbeelding. Bij Monet sta je in ademloze bewondering voor de manier waarop de schilder in 1882 zoiets complex als ragfijne visnetten boven een sombere zee in verf weet te vangen. En bij een haast abstract landschap rond Collioure – in 1905 met veel bravoure voor leegte geschilderd door Matisse – gaat de kleur er in volle galop vandoor.

Een boomstam (of wat daarvoor doorgaat) kan best knalrood zijn, een boomkruin donkerblauw, en waarom zou je grote stukken van het linnen niet leeg laten, als je wilt benadrukken dat je naar een plat vlak kijkt? Er zijn complementaire kleuren die voor contrasten zorgen en er is de drang om op te gaan in puur persoonlijke expressie.

De duizelingwekkende jaren

Mondriaans Molen bij zonlicht is van dat laatste een voorbeeld. Maar ook Jan Sluijters’ Bal Tabarin (1906-1907), waar een hossende massa vanuit zo’n merkwaardig standpunt is geschilderd dat het duidelijk is: het gaat Sluijters niet om de dansparen, maar om de wemeling van licht en kleur die vanuit kroonluchters en verlichte slingers op de massa neerdaalt.

De tentoonstelling Kleur ontketend past in een hernieuwde interesse voor de ‘duizelingwekkende jaren’ die aan de Eerste Wereldoorlog voorafgingen en waarin - volgens historici Auke van der Woud en Philipp Blom - heel Europa op zijn kop kwam te staan. Technische vooruitgang gaat hand in hand met toenemende welvaart en dus consumentisme. Er rijden auto’s, vliegtuigen vliegen, in Nederland gaat in 1897 de eerste telefooncentrale open. De ‘nieuwe mens’ raakt geobsedeerd door beeldcultuur, panorama’s, etalages, terrassen, schouwburgen.

Al die veranderingen laten hun sporen na in de kunst. Maar toch is het juist op dat gebied dat de tentoonstelling – of liever gezegd het soort werken van de kunstenaars op de tentoonstelling – teleurstelt. Vergeefs zoek je in Den Haag naar de enorme revoluties die het aangezicht van Europa veranderden. De onderwerpen op de schilderijen blijven traditioneel: landschappen, naakten, portretstudies. Aan de hand daarvan experimenteren de Nederlanders en Belgen met kleur. De meest onverschrokkenen gaan verder en schuifelen stapje voor stapje richting buitenland.

Om een echt modern kunstenaar te worden, moeten ze Nederland definitief verlaten. Zoals Mondriaan ook deed.