Conceptuele dubbelvla

Mathijs Bouman, columnist van het Financieele Dagblad, twitterde onlangs: „Je moet het ze toegeven. De anti-globalisten hebben de TTIP-discussie knap gekaapt.” (‘Nageven’ bedoelde hij, neem ik aan.) Leuke framing: het internationale bedrijfsleven probeert zijn macht uit te breiden ten koste van nationale overheden, er rijst verzet en dan wordt ‘het debat gekaapt’. Ajax ondervindt onverwachte tegenstand van de IJsselmeervogels en na de wedstrijd beklaagt Ronald de Boer zich dat de amateurs uit Spakenburg „de wedstrijd gekaapt hebben”.

Jesse Klaver, de nieuwe leider van Groen Links, is ook tegen TTIP. Hij ziet het handelsverdrag als typisch voorbeeld van wat hij ‘economisme’ noemt. ‘Economisme’ – wat is dat eigenlijk?

„In het economisme is het platte economische argument doorslaggevend. Alles maar dan ook alles wordt herleid tot een simpele rekensom. Maar veel van wat van waarde is, heeft geen prijs: vrije tijd, vriendschap, natuur, zeggenschap, schone lucht, kunst”, schrijft Klaver.

De bezetters van het Maagdenhuis gebruikten de term ‘rendementsdenken’, anderen hebben het over ‘financialisering’.

Het probleem met die begrippen is dat ze een symptoom beschrijven. Gaat het erom dat politici en bestuurders alleen over geld praten, over kosten, baten en efficiency? Waarover moeten politici dan praten? Over waarden? Ik zal de laatste zijn om het tegen te spreken, een gesprek over waarden is nu eenmaal veel boeiender dan over cijfers. Waar sta je voor, waar draait het om in de wereld, hoe moeten wij met elkaar samenleven, wat is belangrijk en wat ondergeschikt, dat is de core business van de politiek, of zou het moeten zijn. Maar vervolgens rijst de vraag: wat kost dat?

In het geval van TTIP: wat moet het zwaarst wegen, de autonomie van lokale regeringen of de souplesse van het internationale handelsverkeer? Kortom: wat is die zeggenschap ons waard? Dat is een gesprek over kosten en baten. Over geld. Immateriële waarden als vrije tijd, natuur, schone lucht, kunst hebben juist wél een prijs!

Maar ‘economisme’ is ook, in de woorden van Klaver: „Een impliciete ideologie om altijd naar dezelfde oplossing te zoeken: meer markt, minder overheid, meer groei”. Tja, dat is iets geheel anders. Dat is een Friedmaniaanse opvatting van economisch beleid, ook wel aangeduid als ‘neoliberalisme’. Privatiseren, liberaliseren, dereguleren.

Klavers ‘economisme’ is een soort twee-eiige tweeling: het reduceren van maatschappelijke vraagstukken tot een geldkwestie én het ondergeschikt maken van publieke waarden aan economisch gewin. Een bestuurlijke cultuur én een politieke ideologie. Wat ooit ‘politiek’ heette, is de afgelopen decennia verworden tot weinig meer dan bestuurskunde – gesteggel over percentages, inderdaad – maar ook Jesse Klaver heeft dus moeite die twee categorieën uit elkaar te houden.

Vervolgens bestempelt hij deze conceptuele dubbelvla tot ‘mythe’. Dus datgene waar Klaver tegen is, is een mythe? Het economisme is een valse belofte, een dwaalspoor, een onheilsleer, bedoelt hij, maar waarom zou je de strijd aanbinden met iets dat niet bestaat? Het zijn de vaagheden waar een scherpe meelezer Klaver voor had kunnen behoeden, maar wellicht heeft hij daar, op zoek naar een nieuw, fris geluid, met opzet geen gebruik van gemaakt.

De café-interpretatie van Klavers boodschap is: minder economie, meer kwaliteit van leven. Maar met ‘economie’ op zichzelf is niets mis. Het probleem is de onwil en het onvermogen van de politiek om de economie zo te sturen en reguleren dat zij de belangen van iedereen dient. En de groepen die daarvoor de prijs betaalden, beginnen wakker te worden.

Case in point: TTIP: de politiek beraamt een machtsgreep, geen ruchtbaarheid, geen discussie, de burger krijgt er lucht van en eist een debat. Niet het debat over TTIP is gekaapt, TTIP zélf is gekaapt. Door de rechtmatige eigenaar.