‘Als dit nog eens gebeurt, stop ik’

De shorttrackster die na Sotsji door een diep dal ging, staat weer op het ijs „Nu besef ik pas echt hoe bijzonder mijn prestaties waren.”

Jorien ter Mors bouwt haar trainingen dit seizoen rustig op, in de Elfstedenhal in Leeuwarden.

Anderhalf jaar meed ze de beelden. Te beladen, die triomfen in Sotsji, en alles eromheen. Haar wereld was ingestort na de dood van haar vader in het jaar voor de Spelen, maar ze wilde door. Móest door. „Ik heb het allemaal weggestopt, tot voor kort. Ik wilde eerst alles verwerken voordat ik weer aan Sotsji kon denken.”

Jorien ter Mors (25) oogt opgelucht, langs de baan van de Elfstedenhal in Leeuwarden, het tijdelijke onderkomen van de nationale shorttrackploeg. De lach is terug. Ze straalt zelfs, als ze praat over haar volgende grote doel: Ahoy 2017, het WK shorttrack in eigen land. „Dat is waarom ik wil blijven shorttracken. Heb je die volleybalsters gezien, in een vol Ahoy? Dáár wereldkampioen worden, als eerste Nederlandse, dat lijkt me wel heel gaaf.”

Na een afwezigheid van een jaar staat ze weer op het ijs. Een emotionele achtbaan was het: fysiek kapot, mentaal uitgewrongen na die gouden momenten van Sotsji en de donkere dagen thuis. Overreached, luidde de diagnose een jaar geleden, het voorportaal van overtraindheid. „Ik heb zeven maanden niks gedaan. Mocht niks doen. Mijn lichaam moest echt herstellen. Een uur fietsen moest ik vier dagen bekopen. De eerste maanden sliep ik twaalf uur per nacht, en ’s middags nog twee uur.”

Halverwege het seizoen probeerde ze het nog even, een training met de nationale ploeg van Jeroen Otter. „Even meedoen aan de relay. Meteen in die bocht hangen, heup naar het ijs gooien. Maar ik had geen conditie, niks. Eén bocht in, he-le-maal opgeblazen. De volgende bocht zakte ik gewoon door mijn benen. Tien jaar getraind – en na vier maanden niksdoen kun je niet meer schaatsen.”

Uniek sportlijf

Pas in april sloot ze weer aan bij de ploeg: een mengelmoes van toppers en jeugdig talent, van wereldkampioen Sjinkie Knegt tot tiener Suzanne Schulting. Ze traint voorzichtig, aangepast, vinger aan de pols. Constant pratend met Otter. „Dat liep vroeger nog wel eens spaak. Ik gaf niet eerlijk toe dat ik heel moe was, Jeroen dacht: er kan nog wel wat bij. Voor Sotsji gebeurde dat al. Ik ben nu heel eerlijk als het echt niet gaat. We praten heel veel.”

Ouderwets gas geven bij die eindeloze relaytrainingen lukt nog niet. „Trainen is voor mij dubbel zo zwaar als voor mijn ploeggenoten. Ik train wel elke dag, maar ik ben nog lang niet toe aan het programma dat Sjinkie en de anderen draaien.”

Zo hard brokkelt het dus af. En zo lang duurt de wederopbouw van het unieke sportlijf dat ze had. „Heel confronterend. Ik heb blessures gehad, maar dan ben je na een paar weken weer terug. Opnieuw beginnen, van scratch af aan, vraagt mentaal zó veel van je. Als ik dit nog een keer meemaak, stop ik. Ik ben de beste geweest – nu word ik er finaal afgereden. Komt er een snotneusje van een Suzanne Schulting langsrijden, hartstikke jong en supergoed. Zo gretig was ik vroeger ook.”

Af en toe is het ineens terug. Zoals twee weken geleden, toen ze op de 400-meterbaan van haar geboorteplaats Enschede – uit het niets – twee baanrecords reed op de 500 en 1.000 meter. Haar eerste wedstrijdje sinds haar gouden races van Sotsji. „Met nieuwe schoenen”, grijnst ze. Typisch Ter Mors. Even inrijden op andere schaatsen was vroeger ook nooit een punt.

‘Back on track…’, twitterde ze na afloop vrolijk. Maar het niveau dat ze destijds had in de Adler Arena, in die magische week aan de Zwarte Zee, is nog ver weg. „In Enschede ging ik voor het eerst in anderhalf jaar weer dood op het ijs. Maar ik heb die inspanning keihard moeten bekopen. Tien dagen later ben ik nog niet hersteld. Dat valt mij vies tegen. Het laat ook zien dat ik er nog lang niet ben.”

Het maakt haar ongedurig, ongeduldig. De topsporter in haar wil méér. „Het voelt zó fijn als je macht hebt. Maar dat heb ik nog niet. Nu ik langzaam weer beter word denk ik dat ik alles weer kan. Dat was best een klap, afgelopen dagen. Maar ik moet realistisch blijven. Even een stap terugdoen, straks weer twee stappen vooruit.”

Langzaam heeft alles een plek gekregen in haar leven. Ook Sotsji, en de dood van haar grootste schaatsfan, haar vader, na een lang ziekbed. „Het is goed geweest om even uit het schaatsen te stappen en alles te verwerken. Die rust heb ik nodig gehad. Ik heb het heel bewust weggestopt voor de Spelen, anders had ik nooit kunnen doen wat ik in Sotsji heb gedaan. Daarna heb ik het weer moeten ophalen, en dat is best lastig. Alles bij elkaar was het te veel.”

Nu ze weer lekker schaatst kan ze ook weer kijken naar die 1.500 meter van Sotsji. „Ik heb nu rust, ik ben gelukkig, ik heb sinds een half jaar een vriend met wie ik veel kan delen. Ik kijk er nu anders naar. Ik heb er zo’n hoge prijs voor moeten betalen, een jaar niet schaatsen, dat ik nu pas besef dat het echt heel bijzonder is wat ik in Sotsji heb gedaan. Als ik nu die race terugkijk krijg ik overal kippenvel.”

Ander mens

Die gave, de knop om te zetten na een teleurstelling, dankt ze grotendeels aan het shorttrack, weet Ter Mors. „Je moet snel relativeren. Als je valt moet je er twintig minuten later weer staan. Dat heb ik afgelopen jaar ook gedaan. Ik dacht meteen: het is fucking kut dat ik nu niks mag, maar hoe eerder ik het accepteer, des te sneller ben ik weer hersteld. Zo haalde ik ook goud in Sotsji. De ene dag verging mijn wereld op de shorttrackbaan, de volgende dag pakte ik goud op de langebaan.”

Het zware jaar, weg van het ijs, maakte een ander mens van Jorien ter Mors. „Ik ben me bewuster hoe geweldig het is dat ik dit mag doen. Dat je voor je baan drie keer per dag mag sporten, dat ik dit kan met mijn lichaam. Hiervoor was het schaatsen wel eens een sleur. Ik besef nu ook pas hoe fucking goed ik kan schaatsen. Zoals in Enschede, waar ik in mijn eerste ijstraining alle slagen raak en twee records rijd. De anderen keken hun ogen uit.”