Vijftien loungende zeehonden

Alles danst: statige koningen van containerschepen en mammoettankers in rood, blauw, geel groen en oranje, windmolens, kranen die lijken op insectenpoten, zwanen, meeuwen, een verdwaalde eend, de zon en het water. Alles duwt, trekt, draait, vliegt, schittert en glijdt langs elkaar heen volgens een onzichtbare orde, als een waterballet. „Zeehonden!”, roept de controleur, alsof het nog niet genoeg was. Geen grap: een stuk of vijftien. Loungend op een eilandje in de zon. Een natuurwonder op nog geen 15 meter afstand van onze Fast Ferry.

De ferry vaart elke dag heen en weer tussen Hoek van Holland en de Maasvlakte. Vandaag volgestouwd met fietsen en bejaarden in windjacks, die een paar seconden na aankomst bij het eindpunt, froets, froets, uit het zicht verdwenen zijn. Wat overblijft, is een lege pier. Met links wat blokkendozen achter een hoog hek. En rechts: een visser.

Hij is gepensioneerd schilder, vertelt hij. Het vissen is een uit de hand gelopen hobby. Een bevriende visser kreeg ooit een zeehond aan de lijn. Een drama: iedereen in paniek, alle visgerei stuk. Maar dát ze hier zijn is een goed teken: zeehonden betekenen vis. En vis betekent schoon water.

Hij hoopt vandaag op bot, school, tong, snoekbaars of makreel, maar ving tot nu toe slechts wat steenbolk. Ze zitten in een koeltas, onder een blok ijs. Zijn vrouw kan ze heerlijk bereiden. De grootste vis die hij ooit ving was een kabeljauw van 1 meter 10. „Maar het verlangen naar groter, dat blijft”, zegt hij. Vissen is toch een sport.

Verderop meert net een sleepboot aan. Een jongen met een fluorescerende helm legt trossen om de bolders op de kade. Hij komt uit Zwolle, zijn ooms waren schippers. Door de foto’s van hun avonturen werd hij het ook. Jarenlang heeft hij op cargoschepen de wereld rondgevaren. De verste reis was naar Nieuw Zeeland. Zes weken doe je daarover. Midden op de oceaan zie je dolfijnen, vliegende vissen en soms golven zo hoog als het schip.

Nu heeft hij kinderen en werkt hij in de haven. Deze sleepboot is als zijn huis. Meer dan een huis, zegt hij, want een schip leeft.

Dan kijkt hij in de verte. De ogen wat samengeknepen. In stilte. Als een echte zeeman. En voor onze voeten landt een meeuw. Trots, met een mossel in de bek.