Verdiende hij de Vredesprijs wel?

Geir Lundestad was secretaris van het Nobelcomité. Nu is hij z’n goede reputatie kwijt. In zijn memoires klapte hij uit de school: Obama zou zijn Nobelprijs voor de Vrede niet in ontvangst hebben willen nemen.

Geir Lundestad samen met Obama tijdens de prijsuitreiking in 2009. Foto AFP

De Nobelprijs voor de Vrede zal vandaag niet terechtkomen bij de Noorse historicus Geir Lundestad. De 70-jarige emeritus hoogleraar was van 1990 tot december vorig jaar directeur van het Nobelinstituut in Oslo én secretaris van het Noorse Nobelcomité. Hij mocht nooit meestemmen over de prijstoekenning. Maar als permanent adviseur van de vijf Nobelcomitéleden die beslissen wie de prijs krijgt, en als de man die hen van achtergrondinformatie voorzag over de kandidaten, zat hij wel als een spin in het web.

Lundestad werd gezien als een invloedrijk vernieuwer. Hij gaf de Nobelprijs extra uitstraling door de oprichting van het Nobel Vredescentrum in Oslo. Mede door zijn inzet kregen meer vrouwen en niet-westerlingen de Vredesprijs. „De verdere globalisering van de prijs” beschouwt hij als zijn belangrijkste verdienste, antwoordt hij per mail.

Maar nu is de gerespecteerde Lundestad het middelpunt van een felle polemiek, over hem en het instituut Nobelcomité. Dat heeft hij helemaal aan zichzelf te wijten. Afgelopen maand publiceerde hij zijn memoires, Fredens sekretær (Secretaris van de Vrede), met inkijkjes in ontmoetingen met de prijswinnaars. PLO-leider Yasser Arafat liet hem in 1994 wachten omdat hij eerst een tekenfilm van Tom en Jerry wilde uitzien in zijn hotelkamer. En de net aangetreden Amerikaanse president Barack Obama was in 2009 zo verrast over zijn uitverkiezing, dat hij eerst niet naar de uitreikingsceremonie in Oslo wilde komen. Zelfs Obama’s staf vond de ‘aanmoedigingsprijs’ veel te prematuur. „Achteraf kun je zeggen dat Obama de hooggespannen verwachtingen niet heeft waargemaakt, ook ik was sceptisch over de toekenning”, schrijft Lundestad in zijn boek. „Maar ik heb niet geschreven dat de Nobelprijs voor Obama een fout was”, reageert hij nu per mail.

Hij onthulde politieke druk op het comité

De episode over Obama ging de afgelopen maand de hele wereld over. Maar net zo veel ophef, zeker in Noorwegen zelf, veroorzaakten Lundestads ontboezemingen over vertrouwelijke beraadslagingen binnen het Nobelcomité. Bijvoorbeeld over politieke druk: zo zou de toenmalige Noorse minister van Buitenlandse Zaken hebben willen voorkomen dat de Chinese activist Liu Xiaobo in 2010 won, om de relatie met Beijing niet te verstoren. Ook zijn kritiek op leden van het comité veroorzaakte ophef. Met name de Noorse oud-premier Thorbjørn Jagland moet het ontgelden. Hij zou weinig eigen inbreng hebben in het comité. Jagland, vorig jaar herkozen als secretaris-generaal van de Raad van Europa, werd in maart weggestemd als voorzitter van het Nobelcomité. Hij is nu gewoon lid. Die ‘demotie’ werd uitgelegd als een logisch uitvloeisel van de machtsverschuiving ten koste van de Arbeiderspartij in het Noorse parlement, dat de leden van het Nobelcomité aanwijst, en niet als kritiek op hem persoonlijk. Maar het was wel de eerste keer dat zoiets gebeurde in de 114-jarige Nobelprijshistorie.

Door de verschijning van Lundestads boek, niet toevallig vlak voor de bekendmaking van de winnaar van dit jaar, staat het functioneren van het Nobelcomité weer in de schijnwerpers. Vraagtekens bij sommige keuzes voor Nobelprijswinnaars zijn er in de afgelopen decennia altijd gezet, maar nu lijkt het instituut zelf aan erosie onderhevig.

Hij schond de geheimhoudingsregels

In interviews bij zijn afscheid in december onderstreepte Lundestad al dat het Nobelcomité voor de Vrede een Noorse aangelegenheid moet blijven, zonder internationale inmenging. Hij waarschuwde ook tegen invloed van de Zweedse Nobelorganisatie. Tegelijkertijd, voegde hij er vilein aan toe, zou het Noorse parlement voortaan leden moeten benoemen die het Engels goed beheersen en hebben aangetoond geïnteresseerd te zijn in internationale politiek.

Om onbevangenheid te garanderen zouden vroegere premiers en ministers van Buitenlandse Zaken niet langer in aanmerking moeten komen, herhaalt hij in zijn boek. „Ik zeg niet dat het Nobelcomité uitsluitend moet bestaan uit wetenschappelijke experts”, licht Lundestad toe. „Ik ben vóór het benoemen van oud-politici, maar niet voormalige premiers of ministers van Buitenlandse Zaken. Wetenschappers zouden in de eerste plaats adviseur moeten zijn.”

Het zijn wellicht wijze aanbevelingen, maar de toonzetting van het discours in de afgelopen weken heeft veel trekken van een Noorse vendetta. Lundestad werd uit zijn kantoor in het Nobelinstituut gezet. Oud-premier Jagland en andere politici spraken over leugens en lasterlijke uitspraken. Drie Noorse collega-historici schrijven op de site van hun uitgeverscollectief Nobeliana dat Lundestad grote verdiensten heeft gehad voor het instituut Vredesprijs, maar dat hij nu „helaas” drie grote fouten heeft gemaakt. Hij heeft de regels van geheimhouding geschonden, zijn karakterisering van leiders en leden van het Nobelcomité zijn vaak „pijnlijk en beledigend”, en zijn onthullingen leiden mogelijk tot een sfeer van onzekerheid binnen het comité, waardoor de regels van vertrouwelijkheid waarschijnlijk nog verder worden aangescherpt.

Maar hij heeft er geen spijt van

Zo ligt er bij voorbaat een schaduw over de prijsuitreiking. De Fredens sekretær heeft evenwel geen spijt van het boek, laat hij weten. „Als historicus vind ik het mijn verantwoordelijkheid mijn ervaringen van 25 jaar bij de Nobelprijs voor de Vrede aan de buitenwereld te beschrijven, binnen de grenzen van de Nobelstatuten. Ik vind dat het Nobelcomité meer openheid moet betrachten dan het tot dusver heeft gedaan.”

Bang voor reputatieschade is Lundestadj ook niet. „De Nobelprijs voor de Vrede blijft zonder twijfel ’s werelds meest prestigieuze prijs. In Noorwegen zijn regelmatig debatten gevoerd over de selectie door het comité. Niets nieuws”, mailt hij. „In mijn boek stel ik de vraag aan de orde of [de Noorse oud-premier] Gro Harlem Brundtland in 2004 wellicht de prijs had moeten krijgen in plaats van [de Keniaanse activiste] Wangari Maathai. Maar het Nobelcomité heeft geen grote fouten gemaakt in de 25 jaar dat ik bij de prijs betrokken ben geweest. Ik blijf trots op het werk van het Nobelcomité.”