Principieel, romantisch en gecompliceerd

Hij was elf jaar PvdA-Tweede Kamerlid, maar werd vooral bekend als voorzitter van de IRT-commissie. Zijn politieke loyaliteit was te vergelijken met een liefdesaffaire.

Maarten van Traa in 1995 over de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden politie Foto ANP

Net zo oud als de klacht dat de politiek niet deugt is de verzuchting dat het vroeger in de politiek tenminste ergens over ging. Toen ja, toen was alles beter. Nostalgie blijkt vaak een slechte raadgever. Dat neemt niet weg dat boeken over de recente politieke historie altijd weer een nuttige spiegel kunnen zijn voor de hedendaagse politiek. Dat geldt in het bijzonder voor de deze week verschenen biografie De jaren van Maarten van Traa.

Rechtvaardigt iemand die elf jaar Tweede Kamerlid voor de PvdA is geweest een biografie? Een biografie bovendien die met 592 pagina’s dikker is dan het boek dat in 2008 verscheen over het leven van PvdA-monument Joop den Uyl? Bij de omvang zijn inderdaad vraagtekens te plaatsen, maar voor het overige heeft ex-advocaat en oud-rechter Willem van Bennekom met zijn biografie bewezen dat een Kamerlid een uitermate boeiend en lezenswaardig boek kan opleveren.

Dat komt in de eerste plaats door de hoofdpersoon, maar zeker ook door de wijze waarop Van Bennekom, die vier jaar aan de biografie werkte, zijn project heeft aangepakt. Met oog voor – soms iets te veel – detail, maar tegelijk nooit de grote lijn uit het oog verliezend, heeft hij een beeld geschetst van een principieel, romantisch maar ook gecompliceerd politicus. Iemand voor wie, zoals Van Bennekom schrijft, politieke loyaliteit was te vergelijken met een liefdesaffaire. ‘Absolute trouw jegens de PvdA als organisatie zou hij nooit kunnen opbrengen. Loyaliteit liep bij hem over personen.’

De in 1997 bij een auto-ongeluk omgekomen Maarten van Traa, was al enigszins van de politiek aan het afscheid nemen toen hij bij het grote publiek bekend werd als voorzitter van de parlementaire enquêtecommissie die een onderzoek deed naar de door de politie gehanteerde opsporingsmethoden. Hij voelde zich in 1994 gepasseerd bij de formatie van het eerste paarse kabinet onder leiding van Wim Kok. Het voorzitterschap van de IRT-commissie (Interregionaal Recherche Team, red.) betekende een soort compensatie.

Maar het is niet het CV dat de persoon en dus de biografie van Van Traa zo enerverend maakt. Dat zijn de door Van Bennekom beschreven verschillende omgevingen waarin hij opgroeide en later als journalist en politicus opereerde: de wereld hoe politiek kon ontstaan, en hoe politiek werd bedreven. Noem het politiek als hartstocht, een in de decennia van verzakelijking haast verdwenen categorie.

Elites

Als zoon van de Leidse hoogleraar economie Piet van Traa (die, zoals Maarten pas op 44 -jarige leeftijd na diens overlijden zou horen, niet zijn biologische vader was) en zijn moeder Jet, die als journalist werkzaam was geweest, groeide hij op in een milieu dat aldus Van Bennekom ‘door allerlei vezels verbonden was met één van die typisch Nederlandse elites.’ Zijn ouders bevonden zich het centrum van ‘een subcultuur van waaruit veel van het toenmalige Nederland was ontstaan of zou worden gevormd en bestuurd.’

Het was een vriendenkring met namen als Jérôme Heldring, Willem Nagel, Maarten Brands, Klaas Wiersma en Jan Glastra van Loon: vertegenwoordigers van de Leidse traditie waarin de macht van het recht zich boven het recht van de macht verheft. Een principe dat Maarten van Traa vele jaren later als Kamerlid dat zich bezighield met asielkwesties consequent zou hanteren. In dat licht is ook zijn fanatieke strijd voor mensenrechten te verklaren.

Van Traa was een echte ‘soixante-huitard’ die in de roerige periode van de onlusten van 1968 aan de Parijse Sorbonne studeerde en midden in ‘les événements’ zat. Het is een verklaring voor zijn gepassioneerde politieke gedrevenheid die hij later als internationaal secretaris van de PvdA zou etaleren ten tijde van het kruisrakettendebat waarin hij zich als compromisloos tegenstander van plaatsing van nieuwe kernwapens ontpopte. Met zijn onverzettelijke houding maakte hij weinig vrienden. Het kostte hem zelfs intense vriendschappen.

Voor de PvdA dreigde Van Traa net als de kruisraketten een blok aan het been te worden, schrijft Van Bennekom. Van Traa voelde het zelf. Hij maakte op het partijbureau van de PvdA niet de meest gelukkige jaren mee. ‘De vergezichten van het begin hadden plaatsgemaakt voor een harde confrontatie met wat “de feiten” plegen te worden genoemd’, stelt de biograaf droogjes vast.

Van Traa maakte als Tweede Kamerlid nog een aantal van de paarse jaren mee voordat hij op 21 oktober 1997 verongelukte. Hij had weinig affiniteit met de richting waarin de PvdA zich binnen paars ontwikkelde. Marktwerking en dalend begrotingstekort waren er de kernbegrippen. Ging het nog wel om hervorming van het kapitalisme, vroeg Van Traa zich af. ‘Vervreemding’ was één van de woorden die Van Bennekom aantrof in één van de laatste aantekeningenschriften van Van Traa.

Paars dus. Een benaming die de jongerenorganisaties van PvdA, VVD, en D66 in 1992 hadden verzonnen toen zij een uitgewerkt voorstel voor een regeerprogramma presenteerden om het debat binnen hun partijen over samenwerking aan te jagen. Mengen van rood (PvdA) en blauw (VVD) leverde paars op, en daarom was hun product van een paars kaftje voorzien. Wat toen nog alom als jeugdig gedachte experiment werd beschouwd leverde twee jaar later een vrolijk lachende ministersploeg op het bordes van paleis Huis ten Bosch op.

Geen mededogen

Acht jaar later werd er weinig meer gelachen. De kiezer toonde bij de verkiezingen van 2002 geen mededogen voor de representanten van paars. Het gevolg was een electorale ravage. PvdA: 22 zetels verlies. VVD: 14 zetels verlies. D66: gehalveerd tot 7 zetels. Een uitleg die een schril contrast vormde met de verkiezingen van vier jaar daarvoor toen PvdA en VVD na de eerste paarse episode nog rijkelijk waren beloond voor hun ongewone samenwerking onder toeziend oog van D66. Nu resteerden nog slechts – in de woorden van politieke nieuwkomer Pim Fortuyn – de puinhopen van paars.

Hoe deze ongekende verwijdering met de kiezers heeft kunnen ontstaan, blijft één van de fascinerende vragen van de naoorlogse politieke geschiedenis van Nederland. De laatste begroting die minister Zalm (Financiën, VVD) op Prinsjesdag 2001 presenteerde, bevatte een overzicht van acht jaar paars. Het waren modelcijfers. ‘Nederland is qua welvaartsniveau doorgedrongen tot de kopgroep van Europa’, schreef hij. En toch was het één en al chagrijn dat enkele maanden later onder de bevolking heerste. Was Nederland verwend, verveeld, onzeker, bang?

Helaas geeft het boek Een doodgewoon kabinet van Klaartje Peters over de acht jaar van paars hierop geen begin van een antwoord. Aan de hand van gesprekken met bijna alle hoofdrolspelers schetst Peters een uitvoerig beeld van de totstandkoming van paars en over de samenwerking in de twee paarse kabinetten Kok, maar een analyse van het dramatisch einde blijft uit. Dat kan een keuze zijn, maar jammer is het wel. Het paarse experiment is in het nog maar historisch beperkte perspectief juist minstens zo interessant vanwege zijn turbulente afloop. Peters had al haar zo nauw betrokken gesprekspartners best kunnen vragen naar hun verklaring voor de disconnectie met de kiezer.

Wat resteert is oral history met hier en daar aardige petite histoire (minister van Verkeer Tineke Netelenbos die in de ministeriële agenda schreef dat ze naar de kapper was toen zij haar zaak stiekem bij haar collega van Financiën Gerrit Zalm ging bepleiten) en soms een inkijkje in het ministeriële besluitvormingsproces. Echt diep gaat het echter nooit.

Veelzeggend is Peters’ slotconclusie. In veel opzichten waren de paarse kabinetten ‘typisch Nederlandse coalitiekabinetten’, schrijft zij. Maar laat dat nou een conclusie zijn die reeds een paar maanden na het aantreden van paars vrij algemeen werd getrokken.