Geef iedere vluchteling een Bianca

Op vierjarige leeftijd kwam Maral Noshad Sharifi (26) vanuit Iran naar Nederland. Ze gunt alle nieuwkomers de buurvrouw die haar met open armen ontving in Moerkapelle.

Maral op 7-jarige leeftijd met haar 3-jarige broertje, aan de Rottemeren.

In het asielzoekerscentrum waar mijn moeder, broertje en ik woonden, gingen horrorverhalen rond over vluchtelingen die werden weggepest. Dan had zo’n gezin eindelijk een huis, stonden ze na een maand weer achter je in de rij van de soepkeuken.

In 1993 verlieten wij Iran, ik was toen vier. Eigenlijk wilden we via Turkije naar Oostenrijk vluchten, daar woonde mijn tante. Maar telkens als we een grens over waren gesmokkeld, hoorde je de politiesirenes gillen. Het was gevangenis in, gevangenis uit. Tot we twee maanden later in Nederland belandden.

In het asielzoekerscentrum – eerst een caravanpark in Nijeveen en daarna een kamer in Burgh-Haamstede – kregen we vrij snel een tijdelijke verblijfsvergunning, reizen en werken mocht mijn moeder even niet. Na vijf maanden kregen we een huisje aangeboden in Moerkapelle, een dorpje in de Biblebelt, niet ver van Gouda. Mijn moeder was opgegroeid in de grote stad, Teheran, ze was een socialist en diehard atheïst. Kon ze hier wel aarden? Dat maakte niet uit.

Ik vroeg in het asielzoekerscentrum iedere dag wanneer ik naar school mocht. Wanneer we een huis zouden krijgen. Wanneer ik nieuwe vriendjes kon maken. Mijn moeder wilde zo snel mogelijk door.

Maar ze vond het ook eng naar een onbekend dorp te verhuizen. Want wat zouden de nieuwe buren ons aandoen? Ze nam zich voor alleen in het donker over straat te gaan. De buren zouden anders vuilniszakken voor de deur gooien.

Dacht ze. Het liep anders.

De dag dat wij aankwamen in Moerkapelle stond Bianca, onze nieuwe overbuurvrouw, voor de deur van ons rijtjeshuis. Ze was 29 jaar oud, net als mijn moeder, en tilde mij en mijn broertje op. In haar The Bold and the Beautiful-Engels heette ze ons welkom. Bianca vroeg of haar man Hans, die later thuis zou komen, misschien bij ons langs mocht komen met een fles wijn. Dronken wij wijn?

Mijn moeder zegt dat niemand in Nederland haar kinderen ooit zo liefdevol heeft opgetild.

Dit schreef ze in een brief die ze kort geleden, op Bianca’s vijftigste verjaardag, aan haar voorlas. Ze moest alleen zo erg huilen dat niemand haar kon verstaan. Een andere buurvrouw las het verder voor.

Kort na onze komst kwam mijn vader ook naar Nederland. Het duurde jaren voordat er bij ons thuis mooie gordijnen voor de ramen hingen, voordat er bloempotten voor onze deur stonden en wij een auto hadden. En die vijver, die kwam er nooit. Maar uiteindelijk zag ons huis er niet veel anders uit dan de huizen in de rest van de straat.

Na acht jaar verhuisden we naar Den Haag. Mijn moeder had de taal geleerd, verpleegkunde gestudeerd, behaalde een master orthopedagogiek en nu ging ze een internationaal kinderdagverblijf beginnen.

Hoeveel invloed heeft die buurt op ons lot gehad?

Heel veel, zegt mijn moeder en zeg ik. Alles moesten we opnieuw leren, vergeet even de taal: hoe je verdriet uit, boosheid uit, hoe je tegen andermans kinderen praat, hoe lullig je grapjes mogen zijn, hoe je de tuin verzorgt en wat de temperatuur is in je huis. Bianca en haar familie, de ouders van klasgenootjes hadden het geduld ons die regels te leren. Ze leerden ons wat Nederland was.

En ze kwamen voor ons op, zegt mijn moeder: „Als jij in de straat aan het spelen was en je bal werd afgepakt dan liep Bianca naar buiten om hem terug te vragen. Ze voelde mijn machteloosheid op de juiste momenten aan.”

Mijn moeder zegt dat ons leven er heel anders had uitgezien als we niet recht tegenover Hans en Bianca waren komen wonen.

Wachten op een woning

Op dit moment verblijven bijna 8.000 asielzoekers in Nederlandse crisis- en noodopvang. 36.254 wonen in een asielzoekerscentrum, en een deel daarvan, 13.806 mensen, heeft een verblijfsvergunning en wacht op een woning. Hoe kunnen zij, als ze niet tegenover een Bianca wonen, slagen?

Er is geen formule voor, ieder gezin integreert op een andere manier, zegt Halleh Ghorashi, hoogleraar diversiteit en integratie in haar werkkamer op de Vrije Universiteit van Amsterdam. Maar, zegt ze, we weten wel uit onderzoek dat de periode vlak na aankomst heel belangrijk is. „Onderweg naar Nederland hebben vluchtelingen vaak gedacht dat ze dit land niet levend zouden bereiken. Ze zijn trots, willen meteen aan de slag en vooral niet stilstaan bij wat ze hebben meegemaakt tijdens de vlucht. Sommigen zitten jarenlang in onzekerheid te wachten op hun status. Het is dan lastig om later nog een onafhankelijk leven op te bouwen.”

Het is dus goed als mensen snel door kunnen, naar school of werk, zoals bij mij thuis gebeurde.

Maar er is meer, zegt Ghorashi. „De achtergrond van de vluchtelingen is ook belangrijk.”

Ghorashi doet al vijftien jaar onderzoek naar de Iraanse vluchtelingenpopulatie in Nederland. Ze verwijst naar een SCP-rapport van 2011 waarin staat dat Iraniërs de hoogst genoten opleiding hebben van alle vluchtelingen, gemiddeld zelfs hoger dan autochtone Nederlanders. Iraniërs komen hier vaak met een voorsprong ten opzichte van vluchtelingen uit andere landen, zegt ze. De politieke vluchtelingen hebben de Iraanse revolutie in 1979 meegemaakt. De meeste van hen zijn politiek geëngageerd, belezen en cultureel gevormd. „Ze beschouwen zichzelf als intellectuelen, zo worden ze vaak ook gezien. En ze zijn net zo seculier als Nederlanders.”

Dat de culturele afstand niet zo groot is, maakt het ook makkelijker voor mensen contact te maken, vooral als ze goed Engels spreken, en dat doen de meeste Iraniërs. „Voor mensen die alleen hun moedertaal spreken is het eerste contact echt lastig.”

Zelf kwam ik daar achter toen ik een paar maanden terug het Brabantse dorpje Lith bezocht. In maart berichtte Omroep Brabant dat twee Somalische gezinnen hier werden gepest door buurtbewoners. ’s Nachts werden er eieren en stenen tegen hun ramen gegooid. Ze schrokken midden in de nacht wakker en voelden zich onveilig in het dorp. Vluchtelingenwerk bevestigde het verhaal: het bleek om een groep jongeren te gaan die vaker nieuwe gezinnen in het dorp treiterde. Deze familie kon niet voor zichzelf opkomen.

Ik ging ernaartoe en sprak met veel buren in de straat. De meesten hadden niet van de incidenten gehoord. Sommigen hadden net als Bianca bij ons had gedaan, vlak na aankomst een jaar geleden, geprobeerd contact te zoeken met de familie. Lastig was het wel. De twee kinderen speelden met de andere kinderen in de straat en spraken inmiddels goed Nederlands, maar de ouders niet.

De moeder, gesluierd, keek de andere kant op als je haar groette, zei een buurvrouw. Andere buren wilden oprecht helpen, ze wisten alleen niet hoe. Er was ook weinig bekend over de achtergrond van het gezin. Een buurvrouw leende het gezin een keer een elektrische heggenschaar. „Dan doe je dus eerst even voor hoe je zoiets in het stopcontact steekt.” Alsof Somaliërs niet weten wat een stekker is. Een buurvrouw zei dat ze echt geen moeite had met vluchtelingen of moslims, en meteen erachteraan: „Mijn kinderen worden op school ook gepest, en daar heeft niemand aandacht voor.” En: „Hoe komen die kinderen aan die mooie fietsjes? Mijn kinderen hebben die niet eens.”

Ik probeerde een praatje te maken met de vader van het gezin, die een baan had. Toen we samen in de deuropening stonden, werd duidelijk dat we elkaar niet konden verstaan.

Somaliërs integreren het langzaamst

De Somalisch-Nederlandse gemeenschap telt net als de Iraans-Nederlandse gemeenschap 37.000 mensen. Na de Iraakse (54.000) en de Afghaanse (43.000) zijn het de grootste vluchtelingengroepen. Somaliërs integreren langzamer dan alle andere nationaliteiten, blijkt uit het laatste SCP-rapport over de integratie van minderheden in Nederland.

Ilse van Liempt, universitair docent aan Universiteit Utrecht, onderzoekt de Somalische Nederlanders. De laatste grote groep kwam na het jaar 2000. Deze mensen zijn vaak analfabeet, ongeschoold, arm en ernstig getraumatiseerd door de lange burgeroorlog in hun land. Ze hebben familie verloren, mensen vermoord zien worden, zegt ze. Nog een belangrijk punt: ze komen uit een land waar de overheid niet functioneerde. Mensen zaten werkloos thuis. Veel mannen zijn in die tijd verslaafd geraakt aan het kauwen van qat. Door hun trauma’s zijn ze bovendien wantrouwender tegenover mensen in het algemeen, dan de eerste groep Somaliërs, die in de jaren negentig kwam. Die groep was gemiddeld hoger opgeleid en had minder van de oorlog meegemaakt.

De vluchtelingen die de laatste maanden zo massaal naar Europa zijn gekomen, zijn vooral Syriërs en Eritreeërs. Onderzoek moet nog uitwijzen hoe hun integratie te vergelijken is met die van Iraniërs en Somaliërs, zegt Ghorashi.

Naast het opleidingsniveau, de cultuur en de taalvaardigheid is de maatschappelijke teneur waar vluchtelingen mee te maken krijgen bepalend voor hun toekomst. „In de tijd dat jouw familie kwam”, zegt Ghorashi, „had je waarschijnlijk meer Bianca’s dan nu. Sinds de eeuwwisseling vinden wij het acceptabel om expliciet te zeggen dat vluchtelingen of moslims hier niet welkom zijn. Nieuwkomers voelen dat.”

Sinds de vluchtelingen zo massaal en onder zulke schrijnende omstandigheden naar Europa komen, is er een kentering zichtbaar, een groot deel van de mensen wil íets doen. De afgelopen weken is dat weer wat veranderd: boze burgers zie je, die de komst van asielzoekers in hun dorp willen tegenhouden. Die had je in de tijd dat ik naar Nederland kwam, begin jaren negentig, ook.

Maar als mensen wel iets voor vluchtelingen willen betekenen, moet hun hulp niet ophouden bij het inzamelen van kleding, zegt Ghorashi. Uiteindelijk gaat het er om dat tienduizenden nieuwkomers hier op een prettige manier een nieuw leven kunnen opbouwen. Ghorashi: „Veel vluchtelingen willen op latere leeftijd opnieuw studeren. Hoe gaan medestudenten en docenten met hen om? Worden ze raar aangekeken omdat ze nog in de studiebanken zitten, of wordt er interesse getoond? Wordt er gegrapt over hun taalachterstand? Hoe kijken we vluchtelingen aan op straat, in de winkel of op de werkvloer? Hoe is hun toegang tot de arbeidsmarkt?”

Hoewel Iraanse Nederlanders hoger opgeleid zijn dan autochtone Nederlanders is de kans dat ze een baan vinden op hun eigen niveau vijf keer zo klein als bij autochtonen, zegt Ghorashi. „Volwaardige acceptatie duurt lang, soms te lang.”

Nou hadden wij natuurlijk geluk met Bianca. En mijn moeder had grenzeloze ambities en was hoogopgeleid, maar ook angst was misschien een reden om zo snel mogelijk te integreren. Want als je hier zonder familie, vrienden of geld komt, wat gebeurt er dan met je kinderen als jou iets overkomt? Mijn moeder: „Ik was bang dat jullie jezelf dan niet zouden redden. Daarom wilde ik heel graag dat jullie je omgeving zouden begrijpen en liefhebben.”

Mijn kleine broertje, dat vlak na onze aankomst geboren werd, is nu 22 jaar en studeert geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Ik studeerde politicologie en journalistiek en werk nu als buitenlandredacteur bij NRC Handelsblad.