Een scherp oog voor de terugkeer van de rode mens

De Wit-Russische schrijfster kreeg gisteren de 112de Nobelprijs voor Literatuur. Haar boeken lezen als klassieke Griekse tragedies en gaan over de trauma’s van gewone mensen in de (voormalige) Sovjet-Unie.

Illustratie Gijs Kast

Het verraste eigenlijk niemand dat Svetlana Aleksijevitsj gisteren de Nobelprijs voor Literatuur kreeg. Want als het om die hoogste literaire eer ging, zong haar naam al jarenlang rond. Terecht, zo bleek eens te meer toen in 2013 haar meesterlijke Het einde van de Rode mens (Boeken, 7.11.2014) verscheen. Dit als een Griekse tragedie gecomponeerde boek bevat een verzameling levensverhalen van gewone mensen, die leefden in de twintig jaar na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. Hier was een schrijfster aan het woord die in een originele vorm en in schitterende taal iets wezenlijks te vertellen had over mensen die onder de moeilijkste omstandigheden moesten zien te overleven. En juist dat laatste benadrukte het Nobelcomité in zijn juryrapport: Aleksijevitsj kreeg de prijs voor ‘haar meerstemmige geschriften, een monument voor het lijden en moed in onze tijd’.

De 67-jarige Wit-Russische schrijfster werd gisteren door de Zweedse Academie van haar uitverkiezing op de hoogte gesteld toen ze thuis, in de Wit-Russische hoofdstad Minsk, aan het strijken was. Over het prijzengeld van ruim een miljoen euro zei ze in een eerste telefonische reactie tegen de Zweedse omroep SVT dat ze hiermee de vrijheid kon kopen om verder aan haar oeuvre te werken. Ook bekende ze dat de prijs haar een ‘gecompliceerd gevoel’ bezorgde: ‘Het roept meteen grote namen bij me op als die van Boenin en Pasternak.’ Daarmee verwees ze naar de twee andere Russischtalige schrijvers, die respectievelijk in 1933 en 1958 de Nobelprijs voor Literatuur kregen. Boenin leefde toen in Franse ballingschap, Pasternak moest de prijs onder druk van het Sovjetregime weigeren.

Net als bij hen lijkt de keuze van het Nobelcomité voor Svetlana Aleksijevitsj behalve een literaire ook een politieke stellingname te zijn. Want waar Boenin en Pasternak in hun werk de bolsjewistische machthebbers geselden, levert Aleksijevitsj felle kritiek op het regime van Poetin. Door haar met de hoogste literaire eer te bekronen, veroordeelt het Nobelcomité dus in feite wat er in het huidige Rusland aan de hand is.

Geschokt

Toen na de Russische annexatie van de Krim, in maart 2014, 85 procent van de Russische bevolking Poetins beleid leek te steunen, kwam Aleksijevitsj geschokt tot de conclusie dat de Russen zich tegen de stroom van de geschiedenis in bewogen: ze waren veranderd in homines sovietici 2.0 – Sovjetmensen in een nieuwe gedaante. Zo beschreef ze in de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 15 april 2014, in een artikel met de kop Wie niet juicht is een volksvijand, hoe ze in Moskou na de annexatie van de Krim van de ene dag op de andere in een andere wereld belandde. Bij haar in de buurt was bijvoorbeeld geen Krimchampagne meer te koop, omdat die door de ‘overwinnaars’ was opgedronken.

Ook zag ze hoe vrijwilligers zich massaal bij rekruteringsbureaus aanmeldden om tegen de ‘fascisten’ in Oekraïne te gaan vechten. En net als zoveel andere kritische intellectuelen was ze verbijsterd over Michail Gorbatsjovs uitspraak van enkele dagen eerder dat de Krim, die in 1954 door partijleider Chroesjtsjov uit schuldgevoel over zijn rol in de hongersnood van 1932-’33 aan de Oekraïense Sovjetrepubliek was geschonken, al veel eerder aan Rusland teruggegeven had moeten worden en dat door Poetins inlijving het ‘historische onrecht’ was hersteld. In dat artikel concludeert ze: ‘We hebben niet de Krim teruggekregen, maar de Sovjet-Unie’ en ‘De rode vaandels zijn weer terug, de “rode” mens is weer terug. Alles blijkt springlevend te zijn. Vijftien jaar heeft Poetin er aan gewerkt. Dag na dag reanimeerde de televisie de Sovjetideeën. En wij maar denken dat ze dood waren.’

De Wit-Russische schrijfster en journaliste, die in 1948 geboren werd in een lerarengezin in het Oekraïense Ivano-Frankivsk, manifesteert zich in haar boeken als een pionier in een nieuw literair genre, waarin uiteenlopende, bestaande mensen een voor een hun relaas doen. Net als in haar eerdere werk kiest ze voor die literaire interviewvorm, omdat ze iets wil verwoorden dat je niet kunt verzinnen, zo onvoorstelbaar en absurdistisch is het. De stemmen die ze laat klinken vormen dan ook een literaire kroniek van een spookwereld die zijn oorsprong vindt in het gewelddadig verleden van de Sovjet-Unie.

Weerspiegeling

In haar dankwoord voor de Vredesprijs van de Duitse Boekhandel, die haar in 2013 werd toegekend, zei Aleksijevitsj het volgende over die stemmen: ‘Precies daar, in de warme menselijke stem, in de levendige weerspiegeling van het verleden, verbergt zich de oorspronkelijke vreugde en openbaart zich de onafwendbare tragiek van het leven, zijn chaos en hartstocht, zijn unieke karakter en onbegrijpelijkheid. Alles is echt.’

Als een stem zo’n verhaal heeft verteld, resteert bij Aleksijevitsj het Russische lijden, ‘onze gave en onze vloek’. Ze heeft dat lijden dan ontdaan van alle dramatische poespas, alsof ze een zwaarbeladen begrip uitkleedt om het in zijn wrede zuiverheid aan haar lezers te tonen. En in die gedaante maakt het nog meer indruk.

Op zo’n manier weet Aleksijevitsj de ziel van een volk bloot te leggen, een volk dat collectief geestesziek is of op zijn minst zwaar getraumatiseerd. Zolang er in Rusland geen Neurenbergtribunaal wordt gehouden, waarin de misdaden begaan onder het communisme worden benoemd, zal in die gemoedstoestand geen verandering optreden en blijven mensen in de leugens geloven die het regime ze dagelijks voert.

Personages hoeft Aleksijevitsj voor haar boeken niet te bedenken, want die plukt ze uit het enorme land waarin ze is opgegroeid: de voormalige Sovjet-Unie. Ze interviewt ze, waarna ze hun levensverhalen zorgvuldig rangschikt. Die compositie laat ze soms vergezeld gaan van korte, losse uitspraken van niet met name genoemde personen. Aldus ontstaat een Russische variant van een klassieke Griekse tragedie, compleet met een koor, dat begint zodra een solozanger zijn vaak gruwelijke relaas heeft gedaan. Samen drukken ze het overrompelende leed uit van miljoenen anderen met een vergelijkbaar lot.

In 1985 debuteerde Aleksijevitsj met De oorlog heeft geen vrouwelijk gezicht, waarin gewone Sovjetburgers over hun ontberingen in de Tweede Wereldoorlog vertellen. Aanvankelijk kwam het manuscript niet door de Sovjetcensuur, maar tijdens de perestrojka van Gorbatsjov werd die hindernis weggenomen en vlogen twee miljoen exemplaren over de toonbank.

In hetzelfde jaar volgde haar tweede boek: De laatste getuigen. Kinderen in de Tweede Wereldoorlog. Hierin vertellen Sovjetburgers over hun door oorlogsgeweld bepaalde jeugd. In 1989 kwam Aleksijevitsj met Zinkjongens. Sovjetstemmen uit de oorlog in Afghanistan, en vier jaar later publiceerde ze Betoverd door de dood, waarin ze de golf geslaagde en mislukte zelfmoorden in kaart bracht tijdens de ineenstorting van de Sovjet-Unie.

Het einde van de rode mens kun je met recht haar magnum opus noemen. Het is het voorlopige hoogtepunt in een overweldigend oeuvre dat leest als de literaire archeologie van de communistische wereld. En met dat oeuvre kan ze zich makkelijk meten met de andere groten uit de Russische literatuur.

De zes boeken van Aleksijevitsj staan in Wit-Rusland, waar ze woont en schrijft, op de zwarte lijst. Maar ze zijn in vijfendertig andere landen vertaald. Je kunt ze als afzonderlijke hoofdstukken zien van wat ze zelf een ‘Rode Encyclopedie’ noemt. Het einde van de rode mens vormt daarin de apocalyptische finale, waarvoor de schrijfster nu met de hoogste literaire eer wordt beloond. Als je Poetin en zijn 140 miljoen onderdanen wilt begrijpen, kun je niet om dit literaire werk heen.

Symbolen

Het einde van de rode mens begint met het hoofdstuk ‘Notities van een deelneemster’. In die deelneemster herken je al gauw Aleksijevitsj zelf. Tijdens het opschrijven van de verhalen van haar hoofdpersonen in de jaren na 1991 hoort ze steeds de woorden ‘schieten’, ‘liquideren’, ‘fusilleren’, ‘opruimen’, ‘arrestatie’, ‘emigratie’, of het nu over arbeiders gaat of over de intelligentsia. Het zijn symbolen van de angstcultuur, die onder Stalin is begonnen, maar nooit weg lijkt te zijn geweest.

Als Aleksijevitsj het in dit boek over ‘oorlogsmensen’ heeft, schrijft ze: ‘Als we al niet vochten, dan maakten we ons klaar voor de oorlog. We leefden nooit anders.’ Die levensinstelling spiegelt ze vervolgens aan het Rusland van nu, waarin zo’n oorlogsstemming dagelijks opnieuw wordt aangewakkerd en het Westen als een fascistische bedreiging wordt neergezet.

In dit overweldigende boek kom je vrijwel alleen maar teleurgestelde mensen tegen, wier leven na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie nog verder is ontwricht dan het al was. Op die manier confronteert Aleksijevitsj je met de meedogenloze realiteit van het hedendaagse Rusland, waarin een politieagente in Tsjetsjenië door haar collega’s kan worden vermoord omdat ze niet aan hun orgieën mee wil doen, waarin gedemoraliseerde ex-militairen doelloos rondlopen en criminele bendes de huizen van naïeve weduwen afpakken en voormalige goelaggevangenen vertellen hoe ze als kind in het kamp al als mens kapot zijn gemaakt, waarin mensen van verschillende etnische afkomst, die voor 1991 vreedzaam samenleefden, elkaar de hersens inslaan, en waarin niemand zijn geboorteland nog lijkt te herkennen. De jongeren onder hen die het wel redden, zijn vaak meedogenloze cynici. Het beeld dat uit Het einde van de rode mens oprijst is dat van één groot vat vol lijden, angst, cynisme en frustraties.

Svetlana Aleksijevitsj heeft weinig hoop dat Rusland in de nabije toekomst een modern land zal worden. Uit alles wat ze schrijft blijkt eerder dat ze voor het tegendeel vreest. Want bijna nergens ter wereld zijn in de twintigste eeuw zoveel wreedheden begaan als op het grondgebied van de voormalige Sovjet-Unie. Nergens zijn zulke diepe, ongeneeslijke wonden geslagen als daar. Niemand heeft dat trauma zo indringend, gruwelijk en ontroerend mooi onder woorden gebracht als deze Wit-Russische schrijfster.