‘Een ‘grumpy old man’? Soms denk ik dat ik daar ook wel reden toe heb’

‘Misschien moet de wereld sommige verhalen bespaard blijven’, zegt Nobelprijskandidaat Javier Marías in zijn bibliotheek in Madrid. Alles draait om loyaliteit en verraad.

‘U gaat dit toch niet zo opschrijven,” vraagt Javier Marías (64) bezorgd, halverwege het gesprek. We hebben het over een cruciale scène in zijn nieuwe roman Zo begint het slechte, die zich afspeelt wanneer een van de hoofdpersonen, een oudere filmregisseur met een ooglapje, ontdekt hoe zijn vrouw een heel huwelijk voor hem heeft verzwegen dat zij wel degelijk… Nu ja, die spoiler wil de Spaanse schrijver dus niet in de krant. „Mijn boeken gaan weliswaar niet om de plot, integendeel – maar ik denk dat het goed is dat lezers dingen geleidelijk aan ontdekken.” Eigenlijk is dat de halve waarheid. Marías geldt weliswaar als het levende bewijs van de stelling dat de ideeënroman niet dood is (aldus Ger Groot twee jaar geleden in deze krant), maar hij is óók een auteur die zijn verhalen ingenieus en spannend vertelt, waarbij zijn belangstelling voor taal en moraal wedijvert met die voor film en spionage.

Die onderwerpen komen in vrijwel alle boeken van Marías, die een dag voor het interview 64 werd, aan de orde. De schrijver ontvangt een dag lang Nederlandse journalisten in zijn werkkamer annex bibliotheek in Madrid: veel rook, veel boeken, veel oude spullen. Hij spreekt vriendelijk en welbewust over zijn werk, waarbij de bescheidenheid zo luidkeels wordt beleden dat deze bedoeld lijkt om tegenspraak te ontlokken.

Sinds Een hart zo blank (1993) hem een ster maakte in Duitsland, geldt hij als een van de groten van de Europese literatuur. In 2009 voltooide hij zijn monumentale trilogie Jouw gezicht morgen, drie jaar geleden beleefde hij met De verliefden (negen drukken) zijn grootste succes in Nederland. Stond in dat boek een gelukkig huwelijk centraal, in Zo begint het slechte draait de plot om de ongelukkige verbintenis tussen de al genoemde filmmaker Muriel en zijn echtgenote Beatriz. De nieuwe roman speelt in de jaren van de transición, kort na de dood van dictator Franco. De verteller is een jonge vriend van het paar, die bovendien op het spoor komt van enkele liefdes- en oorlogsgeheimen.

Wat stond u voor ogen toen u begon met ‘Zo begint het slechte’?

„Dat weet ik niet precies meer. Het was een mengsel van verschillende zaken. Aan de ene kant het verhaal van Muriel en Beatriz, twee mensen die leefden vóór echtscheiding, in 1982, in Spanje was toegestaan. Dat verleidde ongelukkige gezinnen ertoe om samen te blijven. Bovendien wilde ik schrijven over wandaden tijdens het regime van Franco, wat in het boek het verhaal van dokter Van Vechten is geworden.”

En de vraag of dat verleden onthuld moet worden.

„Dierbare zaken uit mijn andere romans laat ik terugkomen. Waar het hier om gaat is dat de waarheid na bedrog nog pijnlijker en schadelijker kan zijn. Muriel zegt het heel openlijk: als je iemand een grote leugen hebt verteld, kun je het kort daarna zeggen, maar na jaren, dan kan het vertellen van de waarheid vreselijk zijn. De jaren zijn geleefd op basis van een onwaarheid. Die kun je niet meer ontleven. Dan gaat je leven een soort limbo in. Het is vals geworden, maar je hebt het wel geleefd.”

Dat overkomt uw personage Muriel.

„Hij dacht dat hij de regisseur van zijn eigen leven was, maar als hij de waarheid van zijn vrouw heeft gehoord blijkt dat hij een acteur was die het script niet kende. Dat hij een ooglapje draagt, heeft twee betekenissen. Het ene is dat we als mens nooit een volledige blik hebben. Aan de andere kant gebruiken we dat soms en beperken we onze blik bewust. Wanneer Muriel informatie over de wandaden van zijn vriend Van Vechten krijgt, kijkt hij weg.”

Uw roman sluit aan bij het debat dat de laatste jaren wordt gevoerd over het toedekken van de misdaden van het franquisme tijdens de ‘transición’, de overgang naar de democratie.

Gedecideerd: „Dit is geen roman over de transitie. Ik heb geen heldere mening over die periode. Ik denk dat het goed is dat er destijds een algehele amnestie is afgekondigd. Anders was er een nieuwe burgeroorlog uitgebroken, juist op een moment dat alleen het leger wapens had. Maar daarna zijn veel mensen zichzelf een ander verleden aan gaan meten. Mensen die als ambassadeur van Franco in het buitenland zaten en daar later over schreven als ‘mijn ballingschap’. Dat is ongeloofwaardig. Een mens kan van positie veranderen, maar dat is een geleidelijk proces. Iemand die in één keer van de ene naar de andere kant springt – dat is gek.

„Mijn probleem met het huidige debat is dat de nieuwe partijen [zoals het linkse Podemos], een van de grote overwinnaars bij de lokale verkiezingen het hebben over ‘het regime van 78’ in een poging om wat na Franco kwam daarmee te verbinden. Terwijl het iets heel anders was en is. Die jongeren zijn de eerste Spaanse generatie die in democratie is opgegroeid.”

Dat klinkt alsof u het verwende kinderen vindt.

„In elk geval zijn ze onwetend of, erger, welbewust naïef. Ze besmeuren een periode die zijn imperfecties heeft, maar het is de beste periode in de geschiedenis van Spanje. De burgeroorlog was een ingewikkelde periode. Een kant was duidelijk de slechtste en ging langer door: de franquisten. Maar de republikeinen hebben ook wreedheden begaan. Er zijn altijd verhalen in de geschiedenis die niet worden verteld. Dat zijn de episoden waarin niemand het goede heeft gedaan. Als niemand reden heeft om trots te zijn, wordt er gezwegen. Ik weet niet of dat goed of slecht is. Misschien moet de wereld sommige verhalen bespaard blijven.”

In uw vorige roman, ‘De verliefden’, redt de hoofdpersoon andermans geluk door de waarheid voor zich te houden.

„Inderdaad. Op een gegeven moment weet de verteller dat als zij de waarheid onthult, iemands leven vernietigd zal worden – een leven dat al een keer bijna is vernietigd. Dus zwijgt ze, al weet ze dat dat eigenlijk niet goed is. Het maakt uit hoe je iets te weten bent gekomen. De vrouw van een goede vriend bekende mij eens dat zij een affaire had met een andere man. Ze wist zeker dat ik het niet verder zou vertellen. Ik zei: dit is een veroordeling! Ik kon het mijn vriend inderdaad niet vertellen: ik wist niet of hij het wilde weten, of hij het van mij wilde horen. Maar bovenal: ik wist het van haar. Ik zou ook haar verraden als ik mijn vriend zou inlichten.”

De dynamiek van loyaliteit en verraad is alomtegenwoordig in uw boeken.

„In mijn boeken? In het leven!”

Er zijn schrijvers die hun lezers illusies willen ontnemen en schrijvers die hun lezers illusies willen schenken. Tot welke groep rekent u zich?

„Misschien is uw scheiding te drastisch. Elke schrijver die een schaduwgebied verlicht is waarschijnlijk troost aan het geven, zelfs als wat hij blootlegt niet vrolijk is. Dat zijn de momenten waar ik als lezer dankbaar voor ben: als ik even nadenk of iets onderstreep en denk: ik wist dit wel, maar ik wist niet dat ik het wist. Nu ik het lees, herken ik het. Dan helpt literatuur je om om te gaan met het bestaan.”

Hoe ziet u de toekomst van de literatuur? Begin dit jaar zei u dat het idee van de eeuwigheid tot het verleden behoort.

Marías loopt naar het raam en doet de luiken open, waardoor een felle straal septemberzon zijn bibliotheek binnenvalt. „Wat ik bedoelde is dat men vroeger op de eeuwigheid rekende. Dat is voorbij. Alles gaat heel snel, het is absurd om te denken dat je over twintig of vijftig jaar nog wordt gelezen. Niemand wil lezen, iedereen schrijft tegenwoordig: de kwantiteit is verbijsterend. Terwijl een roman schrijven moeilijk is. In elk geval weet ik dat ik veel moeite heb om mijn romans te schrijven.”

In uw wekelijkse column in ‘El País’ klaagt u over de televisie en kinderlawaai. Wordt u een ‘grumpy old man’?

„Soms denk ik dat ik daar ook wel reden toe heb. Wel probeer ik in mijn stukjes uit te leggen waarom iets onwaar, stom of onecht is. De wereld maakt geen bijzonder gelukkige tijden door. In zekere zin voel ik me een levend anachronisme. Al jaren geleden dacht ik dat mijn tijd voorbij is, maar dat lijkt toch niet geval.”

Niet bepaald. U wordt alom geprezen.

„Er is een opvatting die ik met u wil delen, of eigenlijk is het een impressie. Het valt mij op dat veel critici geen smaak meer hebben. Ze begrijpen niets van literatuur. Wanneer ik naar een bejubelde film ga of een hooggeprezen boek lees, denk ik vaak: waarom zien recensenten niet dat dit rotzooi is? Waarom trappen ze erin? Maar als ik dan verder denk over mezelf, dan realiseer ik me: misschien profiteren mijn boeken ook wel van dat gebrek aan smaak. Wie kan mij verzekeren dat mijn romans niet stompzinnig zijn? Die dingen maken een mens rusteloos.”