Allemaal samen nu: (iedereen) ‘Lees toneel!’

Dit is het drama van het stuk als stuk: Of het is als literatuur te groot om te laten vermassacreren door hedendaagse komedianten. Of het is niet groot genoeg om volwaardige literatuur te worden genoemd.

Tom Lanoye: ‘Vergeef me het meegalmende pathos, maar voor mij is drama essentieel.’ Foto Filip Claus

Wie is de grootste schrijver aller tijden? Vraag dat aan verwoede lezers of aan volslagen leken. De meesten zullen antwoorden: ‘William Shakespeare.’ Vraag hun vervolgens hoeveel toneelstukken ze per jaar lezen, desnoods alleen van hun grote held Shakespeare, en de meesten zullen je aankijken alsof je bent veranderd in een pad.

Het toneelstuk is al decennialang de paria van de boekwinkel, en het was daar vroeger al geen kroonprins. Niet alleen volslagen leken, ook de meest verwoede lezers vinden theaterteksten wufter dan een gedicht, muffer dan een handleiding bij computers en letterkundig nog minder relevant dan een telefoonboek uit een ander werelddeel.

Bovendien staat een theatertekst ten dienste van een beroepsgroep die, mét de politicus en de advocaat, alom wordt gewantrouwd of gehaat. De acteur. Ook ‘komediant’ wordt door de meesten alleen nog gebruikt als een beschimping. Volgens mij is het zelfs geen toeval dat de tragedie is ontstaan uitgerekend in een tijdvak en een land waarin tegelijk ook de democratie en de westerse filosofie ontstonden. Met een beetje gevoel voor overdrijving zou je kunnen stellen dat ze onvermijdelijk samenhangen. Een seculiere Drievuldigheid.

Eerst de filosofie. Voor het gemak zal ik ze in deze notendop wurmen: zij leert ons om these en antithese te versmelten tot synthese — een academisch woord voor ‘inzicht’. In theatertermen zou je spreken van ‘catharsis’, het zuiverende inzicht van het hoofdpersonage dat zijn eerdere overmoed, zijn ‘hybris’, was gegrondvest op drijfzand.

Ten tweede, dan. In tegenstelling tot absolutisten of despoten laten democraten in hun besluitvorming kritische, vaak tegenstrijdige stemmen toe. De democratie is een georganiseerd meningsverschil, op het einde waarvan men een werkbaar compromis hoopt te bereiken. Ook de tragedie, ten derde, speelt zich af in een spanningsveld tussen tegengestelde krachten. Protagonist en antagonist belichamen ieder hún interpretatie van de waarheid. De meest klassieke voorbeelden daarvan zijn respectievelijk het meisje Antigone, die haar geliefde dode broer wil begraven, en koning Kreoon, die haar dat verbiedt, in naam van de wet en de goede orde. De botsing tussen Kreoon en Antigone is, behalve een botsing tussen ideeën, plichten en dromen, ook een krachtmeting tussen twee karakters. Jong tegen oud, vrouw tegen man, de liefde van de bloedband tegen de harde logica van het algemeen belang, het individuele geweten tegen de wetten van de staat…

Die rijkdom van ideeën én gevoelens, gedragen door twee personages van vlees en bloed, verklaart waarom het stuk van Sophocles na een paar duizend jaar nog altijd actueel is. Het zal dat blijven zolang mensen tegelijkertijd familieleden en wetten hebben.

Mijn stelling van de Drie-eenheid klopt uiteraard niet helemaal. De filosofie en de democratie laten, in theorie althans, alleen winnaars na. Op het einde van een tragedie echter lijken er alleen maar verliezers te zijn. Om niet te zeggen: alleen maar doden. En toch tonen zij ons, in al hun malheur, iets wat je zelden ziet in blijspelen, of in romantisch-patriottische vehikels waarin een onfeilbaar goede held het steevast opneemt tegen een onwrikbaar slechte schurk.

In een tragedie treedt net de feilbare, de verbrokkelde mens aan. De bij voorbaat onmachtige sterveling die — tegelijk belichaamd door twee of meer acteurs — in verbijstering naar de ander kijkt als in een vervormende spiegel, en die daar geen vrede mee kan nemen. Soms probeert hij zichzelf te veranderen in de ander, maar meestal bestrijdt hij hem, desnoods tot in de dood. Nobele tweespalt die kan leiden tot onbedoelde catastrofes: zo luidt het hart en de drijfveer van álle drama.

Ik stel voor dat we de democratie en de filosofie laten voor wat ze zijn, en dat we ons opnieuw geheel concentreren op alleen de tragedie, het drama — de toneeltekst. Mijn stelling vanavond zal zijn dat hij tegelijkertijd bloedt én bloeit als nooit tevoren. Hij lijkt onzichtbaar maar is alomtegenwoordig. Behalve, zoals gezegd, in de boekwinkel. En aansluitend, gek genoeg, ontbreekt hij ook steeds meer in de literaire kritiek en in de literatuurwetenschap.

In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw kende het gedrukte toneelstuk misschien wel zijn laatste bloei als relevant fenomeen in het boekenvak. In mijn bibliotheek is een plank gereserveerd voor in hoofdzaak Engelstalige toneelpocketjes, mij geschonken door een bejaarde fan, kort voor zijn overlijden. De ruggen van die pocketjes zijn prettig gehavend. Het zichtbare resultaat van gretige en veelvuldige raadpleging. In welke private bibliotheek vind je nog zo’n legertje welwillende rugpatiënten? Tegenwoordig worden toneelteksten hooguit verkocht aan dramaturgen of aan bibliothecarissen met een budgettair overschot — twee uitstervende rassen. Voor de rest gaat het om gelegenheidsuitgaven. Veredelde programmaboekjes, alleen te koop vlak na een voorstelling. Men schaft ze aan als extra steun aan het spelersgezelschap. Ze worden vaker weggegooid dan bewaard.

Die verdwijnende impact is op zich al kwalijk genoeg, omdat ze afbreuk doet aan een heel genre. En ze doet vooral afbreuk aan auteurs die alleen maar schrijven voor het toneel. Neem nu twee internationale grootheden als enerzijds de Oostenrijker Werner Schwab – auteur van onder andere De presidentes en Volksvernietiging of mijn lever is zinloos – en anderzijds de Fransman Bernard-Marie Koltès – auteur van onder andere Roberto Zucco en In de eenzaamheid van de katoenvelden. Ze vergaarden allebei roem en navolging, tot op de dag van vandaag – maar vooral onder tonelisten en bijna niet daarbuiten. Ze kunnen in de literatuurwetenschap niet bogen op dezelfde status of invloed die ze zouden hebben verworven als romancier of dichter. En dit ondanks hun beider vroegtijdige dood. De ene door overmatig drankgebruik, de ander aan de gevolgen van aids. Iets wat in beide gevallen bij een dichter juist een romantisch waarmerk van kwaliteit zou hebben betekend; een upgrade van zijn literaire street credibility.

Binnen het werk van schrijvers die behalve playwright wel degelijk dichter en romancier zíjn, zie je eenzelfde vertekening. Zelden wordt diep ingegaan op hun toneelteksten, of op de mogelijke kruisbevruchtingen met hun andere werk.

Bij de studie van bijvoorbeeld het oeuvre van Hugo Claus of meer recent Peter Verhelst – om maar twee van mijn landgenoten op te sommen – valt dat ronduit verbijsterend te noemen. Hun toneelwerk, dat zowel adaptaties als originele teksten bevat, staat allesbehalve apart. Het vormt een essentieel onderdeel van hun artistieke productie. En het gaat al zeker niet om een gemakzuchtige spin-off van andere teksten, die dan hun zogenaamde ‘échte werk’ zouden vormen.

Toch worden toneelteksten vaak als zodanig behandeld en soms letterlijk zo benoemd. Meestal door buitenstaanders die, hoe erudiet ze ook zijn, zelden de weg vinden naar een schouwburg, of die simpelweg alle theater haten. Ziehier dus, kort samengevat, het drama van het stuk als stuk. Ofwel is het als literatuur te groot om het te laten vermassacreren door hedendaagse komedianten. Ofwel is het niet groot genoeg om volwaardige literatuur te worden genoemd. Hoe dan ook krijg je de indruk dat het schrijven van toneel zich verhoudt tot het echte werk als kalverliefde tot moordende passie.

Indien dat waar zou zijn, belandt een flink deel van mijn eigen werk – om niet te zeggen van mijn leven – in een bak die doorgaans is bestemd voor prullen en krullen. Vergeef me het pathos dat mee galmt in zo’n uitspraak, of wijt ze aan mijn aangeboren theatrale temperament, maar ze is tegelijk zo waar en zo zwaar als een koe. Voor mij is drama essentieel. Technisch, inhoudelijk, compositorisch, dramatisch, retorisch...

Of ik nu een gedicht schrijf, een roman, een verhaal of een column, ze zouden er allemaal heel anders uitzien indien ik mij tegelijk niet ook had bekwaamd in theaterteksten. Zoals die theaterteksten ook sterk beïnvloed worden door mijn andere schrijfarbeid.

Mijn beste vrienden: lees toneel... Zelfs al ben je verpleger of huursoldaat, je zult er nooit spijt van krijgen. Je zult, tot je verwondering, na enige inspanning kennis nemen van eeuwenoude thema’s die zo ontroerend lijken als een liefdevolle lenteochtend tijdens je bloedeigen vakantie, of zo hartverscheurend als de hedendaagse beelden van een gebombardeerde volkswijk, een vluchtelingenstroom of een verdronken kleuter waarvan het lijfje al is gestrand, maar het hoofdje nog op en neer deint in de waterlijn rond Fort Europa.

Je zult, tot je verwondering, kennis kunnen nemen van conversaties die gevoerd worden door mensen die men De Antieken noemt, maar die aan goede lezers – vaak met een schok – de overtuiging zullen schenken dat alleen de klank van hun naam antiek is. Hun strijden en lijden, die zijn van alle tijden. Hun wanhoop en hun onuitroeibare begeertes ook. De mens is voor eeuwig zijn onmachtige zelf, en vaak blijft hem alleen zijn taal over, zijn verwijten en zijn smeekbedes, om zich te verweren.

En die taal kan ons nog altijd midscheeps raken, ook al werd ze eeuwen geleden afgevuurd. Maar je wordt, als lezer, ook nog eens gedwongen om zelf je verbeelding los te laten op hun woorden. Je moet een intonatie of interpretatie kiezen bij het lezen van een repliek, en zo moet je bij jezelf, zin na zin, ook een samenhangend personage bij elkaar fantaseren. Vervolgens, dankzij jouw inspanningen, kunnen die personages en hun stemmen jou dieper raken en je meer leren over het hier en nu dan vele gebeden, gedichten, verhalen of romans uit datzelfde verre verleden het kunnen doen. In die geschriften staat vaak alles uitentreuren beschreven. De landschappen, de stand van de sterren, de klederdracht, de kamerdecoratie, de geur van gerechten... Wat valt er voor een lezer nog te doen?

Bij het lezen van drama krijg je dus niet enkel de woorden van een auteur cadeau. Je mag zijn geesteskinderen ook zelf vlees en bloed meegeven. Je wordt onderdeel van een creatief complot. Een leesvoldoening die met weinig valt te vergelijken.

Ik herhaal het dus, con gusto: ‘Lees drama! Lees toneel!’ Allemaal samen nu: (iedereen) ‘Lees drama! Lees toneel!’