Column

Sobere portretten van suffende pony’s

In de Burrell Collection, de eclectische kunstverzameling van de Schotse scheepsmagnaat Sir William Burrell, zag ik deze week een heerlijk bombastisch paardenschilderijtje van Théodore Géricault. A prancing grey horse uit 1812 toont een wit paard dat zich met wapperende manen tegen een donkere achtergrond verheft. Op zijn rug zit iets wat hij van zich af probeert te schudden, een panter of jachtluipaard wellicht. Hij zakt zo ver door zijn achterbenen dat hij ieder moment achterover lijkt te klappen. Natuurgetrouw is het allemaal niet. De kont is net te dik, de hals te rond, het rechterachterbeen te kort. Maar wat een dramatiek.

De Nederlandse fotograaf Charlotte Dumas is een groot fan van Géricault en zijn tijdgenoot Eugène Delacroix. Toen ze enkele jaren geleden in Parijs woonde, ging ze regelmatig in het Louvre naar hun dierenportretten kijken. „Het zijn soms net menselijke portretten”, zo vertelde ze me eens. Haar theorie was, zei Dumas, dat schilders als Géricault en Delacroix, die veel in opdracht schilderden, hun eigen ziel in die dieren stopten. „Personen moesten lijken, maar aan zo’n paard konden ze zelf invulling geven.”

Het is opvallend dat Dumas Géricault en Delacroix als haar voorbeelden noemt. Want haar eigen paardenportretten, vanaf zaterdag te zien in museum De Pont, getuigen van zoveel meer empathie dan de overspannen schilderijen die de Franse schilders maakten van huppelende en schrikkende paarden. Haar nieuwe boek Work Horse, waarvoor ze Japanse paardenrassen fotografeerde die met uitsterven bedreigd worden, bestaat uit sobere portretten van suffende pony’s in kale landschappen. Tengere, onopvallende bruine paardjes zijn het, geen pronkrossen waar prinsen en strijdheren zich graag op hijsen.

Dumas zoomt ook in op details: donsvacht die krult in de regen, witte haartjes in een kastanjebruine nek op de plek waar het tuig geschuurd heeft. Het contrast tussen een pluizige buik en een leren zadel. Veel paarden hebben de ogen gesloten en staan te soezen, met hangende onderlippen die wijzen op totale ontspanning. Vergelijk dat maar eens met de zenuwachtige barokke paarden van Géricault en Delacroix.

De foto’s van Dumas hebben meer gemeen met het werk van de Haagse School-schilder Anton Mauve. Hij schilderde in 1874 paarden op het strand van Scheveningen die uitrusten nadat ze een zware bomschuit het water uit getrokken hebben – ook dat doek hangt in de Burrell Collection. Afgepeigerd staan de dieren op het strand, met hangende hoofden en platte oren. Ze nemen hun rust, want wie weet moeten ze zo weer verder sjouwen. Echte werkpaarden.